Roots, waarden, identiteit en de ethiek van het socialisme

De woorden ‘roots’, ‘waarden’, ‘identiteit’ zijn voor het ogenblik sterk in de mode. Ze verwijzen naar begrippen, waaraan risico’s verbonden zijn. Sterk belang hechten aan zijn ‘roots’ kan leiden tot racisme en etnocentrisme (zoals bijvoorbeeld het zionisme); een absoluut geloof in bepaalde waarden leidt tot onredelijkheid. ‘Spreek steeds de waarheid’ oké, maar ook als een bezetter bepaalde vragen stelt? In naam van hun waarden propageren bepaalde religies het verzet tegen contraceptiva, democratie, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Het ophemelen van zijn identiteit tenslotte kan leiden tot de discriminatie en uitsluiting van anderen.Toch kunnen die begrippen bruikbaar zijn, bijvoorbeeld wanneer men in een maatschappelijke beweging wil nadenken over zijn beginselen en doeleinden. Waar willen wij vandaag naartoe? Waarin zijn wij gelijk aan anderen en waarin verschillen wij?   

 Het socialisme is ontstaan als een afsplitsing van de liberale beweging –  ‘liberaal’ in de brede, Angelsaksische betekenis van het woord. Wij zijn kinderen van de Verlichting en baseren onze kennis en beslissingen op waarneming en rationeel denken, en liefst als dat op een systematische, methodische en gecontroleerde manier gebeurt – dan krijg je wetenschap. Voor de opbouw van de socialistische ethiek betekent dit, dat we niet steunen op één boek, hoe oud en hoe eerbiedwaardig het ook zou zijn, maar op menswetenschappen en op de inzichten van sociaal bewogen, rationeel denkende filosofen: van een Spinoza tot een Peter Singer.

 Vrijheid en gelijkheid

Wij bekommeren ons, als kinderen van de Verlichting, om de emancipatie van de mens en om zijn welzijn. Wij streven daarom naar bevrijding, naar vrijheid, de eerste term van het triplet,  liberté, égalité, fraternité. Vrijheid houdt onder andere het zelfbeschikkingsrecht in, het recht om zelf vorm te geven aan zijn leven. Vrijheid! Maar niet ten koste van anderen. Ook niet de vrijheid voor een bepaalde stand, klasse of kaste, maar vrijheid voor iedereen.
Een tweede waarde die we daarom koesteren is gelijkheid, égalité. Reeds de Grieken in de Oudheid erkenden de fundamentele gelijkwaardigheid van de mensen, wat leidde tot de uitvinding van een nieuwe staatsvorm, de democratie – helaas was dat niet voor slaven. De gelijkheid als waarde werd zelfs expliciet geformuleerd in de belangrijkste filosofieschool van het Helleense tijdperk, de Stoa. Socialisten streden echter niet alleen voor gelijke rechten op het politieke vlak, maar ook op het economische : van arbeiderscontrole (België) tot arbeiderszelfbestuur (destijds in Joegoslavië). Voor het ogenblik blijkt in het Westen de ongelijkheid in inkomen weer toe te nemen. De strijd is dus niet gestreden !

Verwant met de klassenstrijd is de consumentenbeweging. Testaankoop bond de kat de bel aan. Geleidelijk aan groeide een beschermende wetgeving, niet zelden op initiatief van socialisten. 

Democratie houdt overleg en vergaderen in en komt daardoor soms log en ondoeltreffend over. Wetenschappelijk onderzoek heeft echter aangetoond dat deze bestuursvorm de voorkeur zou moeten genieten, onder meer omdat dankzij de parlementaire controle en het feit dat pers en media op tijd fouten kunnen opmerken, correcties aan de politieke koers kunnen aangebracht worden; dictators blijven doorhollen. Bovendien kan elk parlement tijdelijk volmachten verlenen, dat is, wanneer snelheid van beslissen voorrang heeft op de kwaliteit. Men volgt daarin het voorbeeld van de jonge Romeinse republiek: wanneer Rome bedreigd werd, kon een dictatuur ingesteld worden, evenwel slechts voor de duur van zes maanden. 

Maar er is meer. Geschokt door de mensonwaardige toestanden in de fabrieken en mijnen, ontstonden in de 19e en begin 20e eeuw meerdere socialistische ideologieën, van etatistische tot anarchistische. Wat men later de sociaal-democratie ging noemen, had als funderend beginsel en als belangrijkste verschil met het liberalisme, de verplichte, anonieme solidariteit via een gestructureerde herverdeling.

Herverdeling betekent niet dat verdienstelijk handelen niet zou mogen beloond worden. Een groot persoonlijk inkomen mag opgebouwd worden, wanneer een buitengewone bijdrage aan de samenleving geleverd word. Ernest Solvay bijvoorbeeld, de ontdekker van het procédé voor de fabricage van natriumcarbonaat, werd dankzij zijn uitvinding zeer rijk. Daarbij ontpopte hij zich nog als een belangrijk mecenas voor de wetenschap – te vergelijken met Alfred Nobel. Maar de verdienste voor baanbrekende uitvindingen en mooie economische resultaten komt niet alleen van het individu. Mensen die op een bepaald ogenblik meer realiseren en beter presteren dan anderen, kunnen dit mede dankzij hun opvoeding, materiële levensomstandigheden, gezondheid en de mogelijkheden geboden door de hele samenleving: meer bepaald, de overgeleverde cultuur en het maatschappelijk kapitaal dat door de eeuwen heen opgebouwd werd, dus wetenschap en technologie, scholen en universiteiten, wegen en communicatiekanalen, inspirerende kunstwerken enz.

Herverdeling houdt in dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Terloops gezegd : wat we in alle scherpte geleerd hebben uit de financiële crisis, is dat grof geld ook kon “verdiend” worden door bedenkelijke, ‘spitsvondige’ praktijken. Reglementering van de markt blijft dus een noodzaak.

Socialisten verdedigen de anonieme solidariteit en niet liefdadigheid, omdat liefdadigheidsinstellingen mensen in nood verknechten en hen aan een kerk of politieke organisatie binden – denk aan Caritas Catholica of aan de FIS in Algerije. Wij verdedigen dat bepaalde uitingen van solidariteit zelfs verplicht moeten zijn. Er moet maatschappelijke zekerheid zijn voor iedereen en dankzij de bijdragen van iedereen. Bij een niet verplicht stelsel kan wie niet aansloot, toch onverwacht hulpbehoevend worden en ten laste vallen van de anderen. In een verplicht, anoniem herverdelingsstelsel is steun bovendien geen aalmoes, maar een recht. Het past hier om er even aan te herinneren dat ook de tegenstanders van het socialisme moesten vaststellen dat dankzij de RSZ de recente crisis minder erg werd dan verwacht – er kon nog gekocht worden, waardoor de meeste bedrijven overleefden.

Socialisten ijveren voor een uitbreiding van de verplichte, anonieme solidariteit over de hele wereld en voor alle landen als dusdanig. Geen schooicampagnes bij grote rampen, maar een permanente, alerte, internationale organisatie die onmiddellijk goed voorbereide, gecoördineerde hulp kan bieden. Qua ontwikkelingshulp doen ongetwijfeld meerdere ngo’s prachtig werk, maar beter is de geplande, gecoördineerde en gecontroleerde hulp, inclusief het sluiten van handelsovereenkomsten die ontwikkelingslanden toelaten te groeien.

Solidariteit met de volgende generaties betekent dat men zijn verblijfplaats netjes achterlaat, met andere woorden, dat wij vandaag de verbroken ecologische evenwichten herstellen en zorgen voor het behoud van wat nog overblijft aan biologische diversiteit. Eén van de eerste geleerden die in Vlaanderen op dit punt aan de alarmbel trok, was een socialist, prof. dr. Jan Hublé. Reeds in de jaren zestig, dus vijftig jaar geleden, waarschuwde hij voor de onheilspellende trend. Dat was dus vóór AGALEV en Groen! bestonden. Onderzoek zou kunnen uitwijzen waarom het zo lang duurde voor de socialistische partij het belang van het natuurlijk leefmilieu vatte; de arbeiders waren toch meer slachtoffer van luchtvervuiling dan de anderen.

 Broederlijkheid en identiteit 

Onze specifieke ethiek geeft gestalte aan onze identiteit en is ten volle besloten in het derde beginsel van het triplet, namelijk de broederlijkheid, la fraternité. Socialisme is het besef lid te zijn van de gemeenschap, of beter, van gemeenschappen: familie, wijk, gemeente, gewest, land, en van professionele en levensbeschouwelijke, nationale en internationale collectieven. Elk lid in elke collectief – ‘collectivus’ (Latijn) = ‘verzameld’ – heeft zijn rechten, plichten en verantwoordelijkheden, hoe gering ook. Die zin voor verantwoordelijkheid laat socialisten toe beperkingen te aanvaarden van hun individuele vrijheid en zelfs beperkingen van bepaalde rechten.

Eén actueel voorbeeld : het recht op een onbeperkt aantal kinderen, wat toch een uitvloeisel is van het recht op zelfbeschikking. Indien een miljoen echtparen met reeds twee kinderen in een overbevolkt land opteren voor een derde kind, dan nemen ze willens nillens een verantwoordelijkheid die verder reikt dan de zorg voor het eigen gezin. Toch is ook hier de morele verantwoordelijkheid van het individu beperkt. Bepalende maatschappelijke factoren zijn in deze kwestie; informatie over de gevolgen van overbevolking; onderwijs voor meisjes; seksuele voorlichting; beschikbaarheid van anticonceptiva; reclamecampagnes en een geldelijke beloning bij sterilisatie. In meerdere landen heeft men met succes de twee-kinderenpolitiek doorgevoerd. 

Uit onderzoek is gebleken dat psychisch gezonde mensen altruïstisch zijn ingesteld. We zijn als sociale dieren zelfs biologisch voorbestemd tot solidariteit. Centra in onze hersenen, namelijk de spiegelneuronen, wekken medeleven op. Degelijk geïnformeerde, mentaal gezonde mensen steunen dan ook sociaal vooruitstrevende projecten. Maar helaas is niet iedereen gezond, medevoelend, goed geïnformeerd en rationeel denkend. Miljoenen mensen zitten nog vast aan bepaalde archaïsche denkbeelden die emancipatie en vooruitgang in de weg staan – zowel voor henzelf als voor anderen. Armoede, angst, onwetendheid en goedgelovigheid versperren de weg. Wat is daaraan te doen?

Onderzoek leerde dat scholing en werkgelegenheid wondermiddelen zijn. De combinatie van de twee leidde niet alleen tot meer welstand, maar ook tot een daling van het bezoek aan kerk én moskee.

Broederlijkheid sprak bovendien niet alleen de fabrieksarbeiders aan, maar ook meerdere mecenassen en sociaal geëngageerde intellectuelen, zoals een August Vermeylen. Toegegeven: intellectuelen vergalopperen zich wel eens – niemand kan perfect de toekomst voorspellen; wie vooruit denkt, kan zich vergissen. Maar fouten kunnen rechtgezet worden dankzij de interne democratie. Linkse intellectuelen zijn nodig in een socialistische partij. Wanneer een partijbestuur zich van goed menende linkse geleerden – filosofen, sociologen, politicologen, auteurs enz. – afkeert, ja, zelfs bespot, houdt die partij uiteindelijk alleen nog een maag over, weinig hersenen en bijzonder weinig hart. Anderen nemen dan vroeg of laat de fakkel over, desnoods onder een anderen naam. De ethiek van het socialisme is immers niet voorbijgestreefd, er is in tegendeel nog een lange weg te gaan.

 A. Comhaire

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Actueel, Socialisme

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s