Schuif het Vlaamse leeuwtje niet in de handen van rechtse parasieten!

(Toespraak op 11 juli 2008 in Koksijde)

Dames en heren,

Het kan u verbazen dat er vanuit het Vermeylenfonds interesse, ja zelfs begeestering was om op de uitnodiging in te gaan om hier vandaag te spreken ter gelegenheid van de Vlaamse feestdag. 11 juli, Vlaamsgezindheid, en de strijdbare Vlaamse Beweging in de bredere zin van het woord, het zijn thema’s die niet onmiddellijk prominent naar voren geschoven worden in onze socio-culturele werking en in onze publicaties.  In onze beleidsplannen en geloofsbrieven staat dan wel dat wij streven naar de “vorming en ontplooiing van een eigen culturele identiteit, in alle openheid voor en in contact met andere culturen”, maar net zoals bij een aantal andere van de Vlaamse cultuurfondsen kan terecht de indruk bestaan dat het Vlaamse leeuwtje in onze organisatie niet bepaald in topvorm verkeert:  gezwollen Vlaamse spreekkoren lijken ons niet besteed te zijn en bij de intellectualistische gastlezingen over identiteit of politiek in onze afdelingen heeft men zelden de indruk dat het publiek nog verhit geraakt door flamingantische oprispingen. 

Er is meer.  De identiteit van het Vermeylenfonds rust op drie grote pijlers:  naast het Vlaamse, is er ook het vrijzinnige en het socialistische.  Ik onthul geen grote geheimen door te stellen dat er in die twee laatste sferen sinds enige tijd weinig animo bestaat voor alles wat naar het Vlaamse zweemt.  Mijn indruk is zelfs dat zowel de vrijzinnige gemeenschap – en die is ruimer dan de georganiseerde vrijzinnigheid – als de socialistische beweging – en die is breder dan de socialistische partij – zich bewust en moedwillig distantiëren van elke associatie met Vlaamsgezindheid. In journalistieke termen zou men kunnen zeggen dat er een wijd gapend ‘Vlaams gat’ is op de linkervleugel van de levensbeschouwelijke as, en dat niemand zich blijkbaar geroepen voelt om erin te springen – ook het Vermeylenfonds niet.  Het leverde ons destijds de sneer op van Manu Ruys ‘que les absents ont toujours tort’.

De redenen voor die koudwatervrees zijn talrijk en complex, en ik ga hier niet herkauwen wat academici en ervaringsdeskundigen daarover al uitgebreid geschreven hebben.  Kort gezegd:  wie de geschiedenis van de Vlaamse Beweging bekijkt kan niet om de verpletterende vaststelling heen dat de zogenaamde ‘Vlaamse strijd’ overduidelijk en onbetwistbaar gewonnen is.  Alle fundamentele historische eisen en strijdpunten van die Beweging zijn sinds lang gerealiseerd, en wat er vandaag nog overblijft aan twistpunten en vermeende kaakslagen, dat zijn in vergelijkend perspectief eigenlijk niet meer dan details en laatste punten en komma’s. 

Het is vermoedelijk niet al te populair om dat zo te stellen.  Ik wéét dat vandaag in vele toespraken de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde als het ultieme schild tegen de dreigende defloratie van de Vlaamse maagd bezongen zal worden.  Vermoedelijk zijn er in en rond de hoofdstad op dit ogenblik politici die de miserabele situatie van de Vlaamse villabewoner in de Rand zullen prediken.  En hopelijk staan er eindelijk ergens bewindslui op die hun belofte van vandaag om iets te doen aan eentalige nooddiensten in Brusselse ziekenhuizen, morgen ook werkelijk in daden omzetten.  Over al die kwesties moet niet schamper gedaan worden, maar in vergelijking met alle andere uitdagingen en realisaties van de voorbije 175 à 200 jaar gaat het fundamenteel om pietluttigheden.  Die laatste stuiptrekkingen veranderen niets aan de gigantische verwezenlijkingen van een door en door gewonnen Vlaamse strijd. 

In zo’n situatie is de neiging bijzonder verleidelijk en begrijpelijk om achteruit te leunen, vast te stellen dat de missie volbracht werd en dat het dus volstrekt onzinnig zou zijn om op een leeg slagveld luid brullend verder te manifesteren, met enkel windmolens als tegenpartij.

Ik denk evenwel dat er ter linkerzijde meer aan de hand is dan een apathische – of misschien gewoon realistische – opstelling met als kerngedachte: ‘wie ligt er nu nog wakker van de Vlaamse Beweging?’  Precies door het feit dat de politieke erfgenamen van de democratische en sociaal geëngageerde Vlaamse Beweging na verloop van tijd de aandacht terecht op andere en nieuwe horizonten gingen richten, eens verwezenlijkt was wat decennialang nagestreefd werd, is het Vlaamse discours – tenminste in de perceptie van velen – steeds meer de speeltuin geworden van een kleine maar bijzonder kwalijke fractie binnen die Vlaamse Beweging. Als vele vrijzinnigen en socialisten Vlaamse symbolen als leeuwenvlag en leeuwenlied mijden als de pest, en een panische pleinvrees hebben voor elke associatie met een Vlaams profiel, dan heeft dat veel, zo niet alles te maken met het feit dat Vlaams door velen gelijk gesteld wordt met rechts en/of katholiek, om niet te zeggen extreemrechts tout court.  Ik beweer niet dat die associatie altijd correct is, maar ik stel dagelijks vast dat ze bestaat en ik voel aan mijn water dat dat misschien nog meer het geval is bij de leeftijdsgroep die onder de gemiddelde leeftijd van de aanwezigen hier ligt. 

In de kern van deze korte uiteenzetting wil ik graag toelichten waarom men ter linkerzijde niet bang hoeft te zijn van een bijzonder duidelijke Vlaamse opstelling in woord en daad, zolang de historische en maatschappelijk betrokken invulling ervan maar expliciet en helder uitgelegd wordt.  Voor het Vermeylenfonds is die invulling verweven met de kern van onze sociale, politieke en levenbeschouwelijke visie en u zal het mij vergeven dat ik bij het overlopen van drie eenvoudige maar cruciale vaststellingen regelmatig teruggrijp naar origineel bronnenmateriaal van één van de vaders van de moderne Vlaamse Beweging, August Vermeylen zelf.  Aan het eind van mijn betoog probeer ik die drie elementen kort te toetsen op hun actualiteitswaarde.

Vaststelling 1.  De Vlaamse Beweging is in oorsprong fundamenteel een door-en-door sociale beweging geweest.  Dat was een proces waarin ook links een belangrijke rol gespeeld heeft, en de nazaten van de toenmalige ‘strijders’ in de hedendaagse politieke arena en in het sociale middenveld hebben de verdomde plicht om die herinnering te koesteren en te beschermen.  Vermeylen heeft tot treurens toe herhaald dat “de Vlaamse Beweging niet slechts een taalbeweging mag zijn, maar een maatschappelijk streven in de breedste zin van het woord.” Hij had het ook heel expliciet over de ‘achterlijke elementen der Vlaamse Beweging’ die hij vond “bij sommige flaminganten, die, eenvoudig doordat ze niet verder denken, de Vlaamse Beweging tot de taalstrijd op zijn smalst inkrimpen, zonder in te zien dat hij slechts een middel is en geen doel…”  En voor wie toch de neiging had om zich op te sluiten in een ridicule romantisch-nationalistische retoriek herinnerde hij graag aan het volgende: “Wij strijden voor heel wat anders dan de wevers en volders van 1302.  En het is hier de plaats om er nog eens aan te herinneren, dat Brugse Metten en Guldensporenslag episoden zijn, niet uit een rassen-, maar wel uit een klassenstrijd.”  Als het Vermeylenfonds zich vandaag Vlaams noemt, dan is het omdat we ons als de mede-erfgenamen van die sociaalvoelendheid beschouwen.

Vaststelling 2.  De Vlaamse Beweging had in oorsprong niets te maken met provincialisme en navelstaarderij.  Juist omwille van de essentiële sociale component was ze expliciet internationaal georiënteerd.  Iedereen kent de frase over ‘Vlamingen zijn om Europeërs te worden’, alleen kan niet genoeg benadrukt worden hoe actueel die visie nog altijd is de dag van vandaag.

Voor al diegenen die zich vandaag te velde laven aan de rituelen en symbolen van een vervlogen ouderwetse en bekrompen Vlaamse romantiek, citeer ik graag nog eens Vermeylen: “Maar, ernstig gesproken, gelooft gij niet, dat het nu hoog tijd wordt, om eens bepaald af te breken met al die Vlaamse leeuwen en ander klatergoed, dat goedendaggezwaai, de schim van Breydel-de-Conicnk-Artevelde, en al het wraakgetier dat er rond bralt, …Wij willen een sterk nationaal leven, gebouwd op de grondslag der volkstaal, maar dat sluit toch niet het gezonde internationalisme uit, dat een vereiste is van het moderne leven.”

Als het Vermeylenfonds zich vandaag Vlaams noemt, dan is het omdat we die Europese, open geest van Vermeylens Vlaamsgezindheid blijvend onderschrijven en willen uitdragen, omdat ook wij nog steeds ondervinden en waarderen dat wij ons “meer thuis voelen met een Chinees denker dan met vele Vlamingen of zelfs menig bloedverwant.”

Vaststelling 3. Als de dames en heren van de pers 1 ding oppikken, laat het dan asjeblief dit zijn:  de democratische Vlaamse Beweging heeft in beginsel niets maar dan ook niets te maken met racisme, misplaatst superioriteitsgevoel en de verheerlijking en vergoelijking van fascisme, vreemdelingenhaat en revisionisme.  Het Vermeylenfonds is van na de oorlog, gesticht in 1945, en we zouden dus makkelijk kunnen zeggen dat we geen woorden vuil willen maken aan de recuperatie van de Vlaamse Beweging door bruinhemden en hun nazaten.  Voor al wie toch de mare zou geloven dat de hele Vlaamse Beweging zwart verbrand geraakte in de eerste helft van de vorige eeuw, nog 1 keer Vermeylen uit de jaren 30:  “Er is er een [soort van nationalisme], dat het onze niet zijn kan en dat we nooit moeten aarzelen te bestrijden.  Dat is die vorm van nationalisme, die zijn  oorsprong heeft in de romantische opvatting…  En wanneer het romantische begrip van de volksziel gepaard gaat met het romantische begrip van het ras, dan geraken we tot het geloof in uitverkoren talen en rassen, voorbestemd om te heersen op het veld der beschaving…  het karakter van dat nationalisme is, dat het zich uit in holle retorica, dat het vooroordelen … kweekt…  Om het eigen volk te verheffen tracht het de andere klein te maken…  Het versmalt de horizon en werkt haat in de hand…”  Ik herhaal: “Dat kan het onze niet zijn en dat moeten we nooit aarzelen te bestrijden.”

Exact 70 jaar geleden, in 1937, op een ogenblik dat de politieke context bijzonder gespannen was, gaf August Vermeylen zelf een 11-juli-toespraak.  Gezien het belang van dit punt wil ik ook uit die lezing een passage citeren:

“[E]en einde stellen aan de uitbuiting van een mens door de andere, zodat voor ieder mens een materieel gelukkig bestaan mogelijk wordt, de mens niet meer een wolf is voor de andere, samenwerking, vrede en broederlijkheid onder allen kan gevestigd worden.  Die toekomst moeten wij opbouwen… En een eerste vereiste daartoe is, dat we schouder aan schouder zouden staan, als een muur, tot verdediging van het reeds verworvene, tegen de vijand nummer één, het loerende fascisme, dat ons onder allerlei vormen besluipt, en dat ons tenslotte in die toestand van verarming en verknechting zou brengen, waar sommige volkeren thans in gedompeld zijn.  Dat nooit, niet waar?  Dat nooit! [….]

Ik haat het nationalisme, dat volk tegen volk stelt, het nationalisme dat op een dwaze theorie van het ras steunt, dat nationalisme dat alleen negatief werkt, dat nationalisme dat meer bestaat uit afkeer tegen het anderszijnde dan uit liefde tot het eigen goed, het nationalisme dat het inheemse zoveel mogelijk verheffen wil door het neerhalen van het vreemde…  Ik haat het nationalisme dat altijd met zijn grenzen rondom zich loopt, het nationalisme dat de horizontale groepering van de misdeelden uit alle volkeren vervangt door de verticale groepering die al de standen van een volk verenigt tegen al de standen van een ander volk.”

Dames en heren, als het Vermeylenfonds zich vandaag Vlaams noemt, dan is het omdat we Vermeylens strijd tegen haat, racisme en fascisme willen voortzetten, een strijd die volledig deel uitmaakte van zijn Vlaamsgezindheid.

Citeren en boekenwijsheid aanhalen uit vervlogen tijden is één iets, hoor ik sommigen denken, die standpunten vertalen naar de hedendaagse maatschappij is een ander.  Wat is de actualiteitswaarde van het net besproken trio sociale bewogenheid, Europese integratie en verdraagzaamheid?  Hoe vallen die drie basisidealen samen in een moderne en toekomstgerichte Vlamgezindheid?  En heeft een cultuurfonds als het Vermeylenfonds daar eigenlijk nog een rol in te spelen? 

Wij zijn uiteraard niet de enigen die zich die vraag gesteld hebben en het is verheugend te zien dat er op dit ogenblik een brede (misschien wat academische) discussie plaatsvindt over nut, toekomst en leefbaarheid van de Vlaamse Beweging in het Vlaanderen van vandaag.  De grote teneur in dat debat werd een tiental jaar geleden in Ons Erfdeel door Jo Tollebeek provocerend samengevat onder de noemer ‘de dodendans van de Vlaamse Beweging’. 

“De flamingantische cultuurfondsen dreigen […] te worden vermalen tussen de agressie van de radicale Vlamnationalisten en de zelfgenoegzaamheid van de overheid,” zo heette het, en “de voltooiing van … het eigen Vlaams parlement heeft hun de wind uit de zeilen genomen.” De enige optie die nog over zou blijven was een spagaat tussen een terugplooien op “de eigen geschiedenis en mythologie om daaruit heroïsche adelbrieven te kunnen opdiepen”, enerzijds, en een omvorming tot verzakelijkte ‘culturele productiefondsen’ anderzijds.

De fameuze ‘democratische verbreding’ – die jarenlang de spil van de Vlaamse Beweging was – is toch binnen, en zou dus niet langer centraal staan bij de cultuurfondsen en andere zogenaamde intellectuelen.  In al hun apathie laten ze datgene wat er nog rest van een Vlaamsgezind forum over aan extremisten in verschillende graden van barbarisme en onbeschaafdheid. 

Die analyse was voor een zeer groot stuk terecht, maar met de conclusie dat er voor een Vlaamse Beweging geen rol van betekenis meer weggelegd was in het hedendaagse sociaal-politieke landschap, was ik het niet eens, ben ik het niet eens, en zal ik het allicht ook niet snel eens worden.  Zowel de verwezenlijkingen als de fundamenteel democratische en emancipatorische principes van die Vlaamse Beweging zijn en blijven té belangrijk om ze nu over te laten aan de zelfbenoemde kampioenen in de Orde van de Vlaamse Leeuwentand.  We kunnen en mogen niet toelaten dat een ziekelijk ondemocratische stroming die pas in de vroege 20ste eeuw gaan parasiteren is op de Vlaamse Beweging, de verworvenheden van die Beweging nu ook leegzuigt en misbruikt.  Indien morgen een soortgelijke autoritair zootje het socialisme of de vrijzinnigheid zou claimen, en zelfs een religie of een levensbeschouwing die de onze niet is, dan zouden we daar even luid en duidelijk tegen opstaan, en ik spreek de oprechte hoop uit dat alle oprechte Vlaamse democraten van diverse pluimage dat ook zullen doen.  Vlaamsgezindheid is meer dan die kleine fractie vendelaars en zwendelaars die luid roepen van een eigen volk, met angst en haat in de ogen en gedachten.  Om het met de woorden van Herman Balthazar te zeggen:  “[dat] nationalistisch extremisme is in genen dele preferentieel aandeelhouder van de Vlaamse Beweging, noch in historische noch in actuele zingeving. Toegeven en erfenisrechten verlenen aan dit extremisme zou pas kunnen uitdraaien op een macabere dodendans, letterlijk zelfs.”

Dat sociale bewogenheid en verdraagzaamheid voor mij geen holle begrippen zijn in het hedendaagse Vlaanderen mag ondertussen duidelijk zijn.  Hetzelfde geldt voor Europese integratie.  In een regio die niet enkel in het hart van ons continent ligt, maar bovendien op het voordurende kruispunt van tientallen culturen, kan men ‘Vlaams’ niet anders dan internationaal gaan definiëren en beleven.  Europeërs zijn we ondertussen allemaal, en wat onze culturele werking betreft komt dat voortdurend op de voorgrond.  Het is goed vandaag te benadrukken dat die overtuigde opstelling wég van het provincialisme ook aanwezig is in onze visie op alle andere domeinen die de sleutel zijn tot de ontplooiing van de vrije Vlaamse mens.  

Dames en heren, de receptie wenkt en het wordt stilaan tijd om de voorgaande woorden en gedachten te laten drenken in de al dan niet geestrijke vruchten van Vlaamse en andere culturen. 

“We weten, om het met Vermeylen te zeggen, “van hoever we gekomen zijn, we kunnen de weg meten die reeds afgelegd is, we mogen er met voldoening op terugkijken.  Wij zijn het “arm Vlaanderen” niet meer van een paar geslachten geleden, het Vlaanderen van de lange werkuren en de schadelijk lage lonen, het Vlaanderen van de werkman en van het werkmanskind, die aan al de machten van het geld overgeleverd waren.  Wij zijn  ook het ‘arm Vlaanderen’ niet meer waarin onze taal vertrapt werd, de Vlaamse cultuur voedingsaarde en lucht moest missen, onze individualiteit voortdurend werd vernederd, gekneusd en gekwetst…”

De vraag welke Vlaamse Beweging in die context vandaag nog zinvol en begeesterend kan zijn, heeft Marc Reynebeau ooit treffend samengevat in de volgende woorden:

“Als de Vlaamse beweging […] nog een toekomst wil hebben, dan ligt die […] in het creëren van een kritisch forum […] dat, badend in de luxe van de intellectuele onafhankelijkheid, een bijdrage kan leveren tot de democratische uitdieping van de natie. […] Want het is niet in vlaggen of grenzen dat de natie zich manifesteert, maar in de concrete maatschappelijke en democratische betrokkenheid van elke burger van die natie bij de publieke zaak, die immers de zijne is.”

Het Vermeylenfonds is meer dan ooit overtuigd van de noodzaak om die betrokkenheid te stimuleren, om mee te bouwen aan een solidaire, warme samenleving, waarin respect voor eenieders culturele en sociale ontplooiing samen gaat met een onwrikbaar engagement.  Dat is ónze manier om Vlaamsgezind te zijn. 

 Ik dank u.

 (Voormalig algemeen secretaris Wim Vandenbussche)

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Actueel, Socialisme, Uncategorized, Vermeylenfonds

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s