Tagarchief: VUB

Van universiteitsbibliotheek naar centrum voor leren en innoveren

In dit artikel grasduin ik doorheen enkele ervaringen als bibliothecaris in de Universiteitsbibliotheek van de VUB. Ik probeer als aandachtige toeschouwer mee te kijken naar drie decennia bibliotheekevolutie die ik meemaakte en waag me aan een poging om vooruit te kijken.

Van waar komen we? 

Bibliotheken zijn niet meer wat ze geweest zijn. Ook evoluties die in eerste instantie niets met bibliotheken lijken te maken hebben, leiden afzonderlijk of samen toch een paradigmaverschuiving in de bibliotheekwereld. Waar is de tijd dat je tijdens het weekend naar de wijkbibliotheek ging om een goed leesboek op te sporen, te vinden en te lezen? Naar een wetenschappelijke bibliotheek ging je terwijl je studeerde en wanneer je onderzoek deed. Dat is nu allemaal anders. Moeten we nog naar de bibliotheek? Of kunnen we alles thuis of vanuit kantoor doen? Is de bibliotheek nog wel nodig? Vroeger legden bibliotheken collecties aan en stelden deze ter beschikking. In de ‘boekerijen’ vond je een ruim aanbod dat geselecteerd was door de bibliothecaris. De boeken en tijdschriften stonden netjes geordend volgens een systeem dat door bibliothecarissen bedacht was. Als lezer moest je daar even aan wennen, maar al gauw vond je de weg naar de afdeling die jou interesseerde. Het leuke van de zaak was dat in andere bibliotheken die ordening gelijk of op zijn minst heel gelijkaardig was. En dan was er ook de elektronische catalogus. Voor diegenen die vertrouwd waren met kaartenbakken en hun volgepropte inhouden was de online publiekscatalogus even aanpassen. De elektronische catalogus was uiteindelijk toch een verademing. De bibliothecaris kon er nu voor kiezen om nog meer op zijn of haar stoel te blijven zitten. Gelukkig kozen sommige bibliothecarissen voor een gezondere aanpak. Zij kondigden aan dat er bibliotheekinstructie was: uitleg dus bij de inrichting van de bibliotheek en het gebruik van elektronische catalogus.

ruimmetpatrick2

In universiteiten was er toen al een tijdje nog wat anders opgenomen in het aanbod. Je had er toegang tot elektronische gegevensbanken waarin je kon zoeken naar publicaties over een bepaald onderwerp. Jouw onderwerp dus. Deze opzoeking mocht je niet zelf doen: dat zou immers te duur uitvallen, want elke zoekopdracht, elke referentie die je binnenhaalde en zelfs elke seconde connectietijd kostte geld. En dus liet je dat zoekwerk over aan een gespecialiseerd personeelslid. Voor mij was dit mijn eerste job in de universiteitsbibliotheek. Ik deed dat werk heel graag: in de middelgrote VUB was ik de enige die dit werk deed. Zo kwam ik in contact met werkelijk al het onderzoek dat in de universiteit verricht werd. Tenminste, met dat onderzoek dat werd uitgevoerd door studenten en onderzoekers die weet hadden van deze dienstverlening. Ik maakte niet te veel reclame voor deze dienst aangezien mijn agenda al redelijk vol stond. Het werk deed ik met het grootste genoegen: als een tovenaar aan een klavier en een scherm die in verbinding stonden met een andere computer, die zich soms aan de andere kant van de wereld bevond. Het begrijpen van de onderzoeksvraag was ook een uitdaging: je moest heel analytisch te werk gaan om uit te pluizen wat de vragensteller nu eigenlijk wilde vinden. En dan het bijsturen. Soms ging het over de vraagstelling van de student of onderzoeker, heel soms het bijsturen van doctoraatsonderzoek (ook dat gebeurde af en toe, laten we zeggen een keer of twee per jaar). Ik durf nu wel bekennen dat ik van dit bijsturen het meeste genoot. Ik deed mijn werk graag gedurende tien jaar. Lang genoeg om vergroeid te raken met de toenmalige werkwijzen van de bibliotheek.

Waar stonden we tien jaar geleden? 

Toen kwamen de elektronische tijdschriften. Heel interessant, want nu kon je wetenschappelijke publicaties lezen zonder dat je naar de bibliotheek moest gaan. Elektronische bibliografische gegevensbanken kwamen rechtstreeks ter beschikking van de gebruiker. Er was geen intermediair meer nodig. Ik dreigde zonder werk te vallen. Maar geen nood: de gebruikers van deze gegevensbanken moesten opgeleid worden. En dus verzorgde ik informatiesessies. Soms voor volle auditoria, soms voor bijna lege auditoria, soms voor een groepje uiterst geïnteresseerde onderzoekers. Achteraf beschouwd was dit de eerste keer sinds jaren dat de bibliothecaris een stap naar voren zette, naar de gebruikers van de informatie toe. Wij, statige bibliothecarissen, verlieten onze ivoren toren. En de onderzoekers verlieten die van hen. Halverwege kwamen we elkaar tegen en begonnen – meer dan ooit voorheen – met elkaar te praten. Het ijs was gebroken. Het hek was van de dam.

Voor de bibliotheek van een middelgrote universiteit als de VUB braken gouden jaren aan. In Vlaanderen sloten we consortiumovereenkomsten, samen met andere universiteiten en hogescholen. Al deze instellingen hadden daar voordeel bij. De uitgevers blijven hun inkomsten generen, net als voorheen (soms een ietsje meer) maar soms boden ze hun hele tijdschriftenportfolio aan voor nagenoeg dezelfde prijs. Niet langer op papier: je kocht de toegang tot de elektronische variant. De papieren afleveringen van tijdschriften stopte je als bibliothecaris in magazijnen, of je kreeg deze zelfs helemaal niet meer toegestuurd. De plichtsbewuste bibliothecaris zorgde er echter wel voor dat de toegang tot de papieren tijdschriften verzekerd bleef. Dat was ook nodig omdat er een overgang was van bezit van de papieren tijdschriften naar een toegang tot elektronische tijdschriften die slechts openstond was zo lang je betaalde. Maar wat als je niet meer betaalde? De papieren collectie bleef, maar wat met al die nieuwe afleveringen van tijdschriften in elektronisch formaat? Tot nu toe zijn er geen rampen te melden, maar het gevaar ligt altijd op de loer. En dit gevaar wordt groter naarmate de bibliotheken meer moeten besparen. Gelukkig viel het op gebied van besparingen voorlopig nog wel mee. Maar ik durf al een tijdlang niet meer in mijn glazen bol te kijken omdat ik vrees dat zich dan alsmaar meer donderwolken aftekenen.

Het is ook in die periode dat ik hoofdbibliothecaris werd. Sommigen evolueren naar de job van hoofdbibliothecaris op grond van een degelijke opleiding. Sommigen worden pardoes aangesteld als manager van de bibliotheek. Voor mij was het een evolutie: nadat ik de stap zette van projectwerk (meestal over waterkwaliteit) in de toenmalige Faculteit Toegepaste Wetenschappen, werd ik aangetrokken door het vooruitzicht op een vaste aanstelling aan de universiteit. Zelfs al was dat niet meer als wetenschappelijk medewerker maar als lid van het administratief en technisch personeel. Ik herinner me nog dat ik mij op de dag dat ik mijn doctoraat verdedigde (toen ik al in de Universiteitsbibliotheek werkte) bedacht dat dit de laatste dag zou zijn waarop ik zelf wetenschappelijk werk deed. Van het bandwerk van de online opzoekingen belandde ik in een managementfunctie. Desondanks probeerde ik me steeds zoveel mogelijk in te leven in het onderzoekswerk van de ‘klant’ die voor een online opzoeking bij me langskwam. Dit was mijn manier om te evolueren naar de job van hoofdbibliothecaris: evoluerend in en met de bibliotheek.

Het metier leerde ik ‘on the spot’. Dat is helemaal geen slechte evolutie, maar vaak overwoog ik om de opleiding Informatie- en Bibliotheekwetenschap (IBW) te volgen aan de Universiteit Antwerpen. Het kwam er maar niet van. Toen werd ik gevraagd om de cursus Managementtechnieken in de Documentaire Informatie te doceren in die zelfde opleiding. Dat zorgde ervoor dat ik een aantal dingen op een rijtje kon en moest zetten. Net op dat moment moesten we in de VUB ons eerste strategisch plan schrijven. Het schrijven van een strategisch plan behoort nog steeds tot de verplichte oefeningen van mijn studenten aan de UAntwerpen.

Recente evoluties, spanningen en noden

Hoe lang houden de Vlaamse universiteitsbibliotheken nog stand vooraleer ze moeten schrappen in hun aanbod voor de toegang tot abonnementen en gegevensbanken? Sinds de crisis van 2008 hebben we het aanbod voor studenten en onderzoekers redelijk goed kunnen waarborgen. Personeel inleveren, dat wel, waardoor de dienstverlening van de bibliotheek onder druk komt te staan. Nieuwe initiatieven nemen durf je niet zo goed meer, tenzij het om iets heel innovatiefs gaat of om iets heel groots gaat. Dan kan je met wat geluk nog reserves aanspreken. Reserves kunnen echter niet gebruikt worden voor informatiebronnen die recurrent, jaar na jaar moeten betaald worden: de reserves zijn dan snel uitgeput.

Het einde van de besparingsronde is nog niet in zicht. In tegendeel, het ergste moet waarschijnlijk nog komen. Wat, en vooral wie, gaat daar onder lijden? In eerste instantie denk je dan aan studenten en onderzoekers. In tweede instantie bedenk je dat de uitgevers misschien wel hun prijzen zullen laten dalen (of zelfs verplicht zullen zijn dit te doen) wanner het geld echt op is (van grote uitgeverijen van wetenschappelijke tijdschriften is geweten dat hun winstmarges schandalig groot zijn).

Stel dat de Vlaamse universiteitsbibliotheken het op een akkoordje gooien. Ieder van de vijf universiteitsbibliotheken betaalt, versleuteld volgens de werkingsmiddelen van elke universiteit, een deel van de toegang tot de tijdschriften die zij voorheen elk afzonderlijk aanschaften. Als een student of een onderzoeker een artikel wenst dat in de andere universiteitsbibliotheek aanwezig is dan kan dat artikel toch binnen een dag (of twee) via de interbibliothecaire bruikleendienst (IBL) verkregen worden? Juist, maar let op het tijdsverschil. Voorlopig ziet een student of onderzoeker een referentie naar een interessant artikel en is hij of zij maar enkele clicks verwijderd van de inhoud van dat artikel. De IBL-oplossing zou voor een enorme vertraging zorgen. Onderwijs en onderzoek gaan er zo zienderogen op achteruit in Vlaanderen, zeker wanneer in andere landen de toegang tot elektronische tijdschriften en gegevensbanken niet in die mate beknot wordt. Uitgevers zullen het daar niet bij laten: wellicht zullen zij hun toestemming voor het gebruik van artikels via IBL beperken en prijsstijgingen zijn dan eveneens aan de orde. Het is een vicieuze cirkel.

Open access draait de rollen om: publicaties komen in online tijdschriften waar de lezer noch de bibliotheek voor moeten betalen, omdat de auteur betaalt voor de publicatie (eventueel op basis van een forse financiële bijdrage, bijvoorbeeld op basis van een forse inspanning in de editorial board van het tijdschrift, of op een andere manier – er is nu eenmaal niet zoiets als een gratis lunch). Daarnaast zijn er preprint servers waar auteurs een vroege versie van een artikel tot en met de voorlaatste versie van het artikel (met toelating van de meer klassieke uitgever) mogen plaatsen (een systeem waarbij astronomen en meer in het algemeen fysici het voortouw namen). Enigszins vergelijkbaar zijn de institutionele repositories waarin een auteur van de uitgever zijn of haar artikel mag plaatsen in de meer klassiek vorm. Zal dit alles er dan niet voor zorgen dat er een oplossing komt waarbij we minder moeten betalen aan geldhongerige uitgevers? Voorlopig niet, want in deze oplossingen spelen die klassieke uitgevers nog steeds een rol en de oplossingen waar zij niet tussenkomen zijn (voorlopig) te weinig uitgekristalliseerd. Publiceren kost geld. Je moet dit bovendien als vorser doen om voldoende fondsen te verwerven voor je onderzoek. Als wetenschapper publiceer je het liefst in een (papieren) tijdschrift met een zo hoog mogelijke impactfactor. Hoe hoger die impactfactor, hoe belangrijker jouw publicatie wordt in de ogen van buitenstaanders, maar ook in de ogen van insiders in hetzelfde vakgebied. We stoten tegen een inertie aan, die uiteraard ook in stand wordt gehouden door de klassieke uitgevers (die bovendien de berekeningen van de geliefde impactfactoren voor zich nemen). Het is geen teken van luiheid bij de bibliothecarissen, maar eerder een teken van onmacht en onwil, met aan de basis ervan het winstbejag van uitgevers.

Ook wat betreft het studeren zijn de tijden veranderd. Het fenomeen massablokken dat de laatste jaren de kop opstak blijkt ondertussen een niet meer weg te denken attitude in het hoger onderwijs te worden. Het massablokken speelt zich bij voorkeur af in de leeszalen van de bibliotheken. Als universiteitsbibliotheek moet je je reppen om voor de nodige studieplekken te zorgen in examentijd.

Ook wat betreft doceermethodes leven we in andere tijden. Weg met ex cathedralessen. Leve het groepswerk. En waar werken de studenten het liefst in groep? Juist, in de leeszalen van de bibliotheek, dicht bij allerlei faciliteiten. Af en toe (en soms meer dan af en toe) moet er een woordje gewisseld worden tijdens het groepswerk. Klassieke leeszalen zijn daar niet voor geschikt: daar moet immers de serene stilte heersen die geëist wordt door andere bibliotheekgebruikers.

Enerzijds blijven studenten en onderzoekers steeds meer weg uit de klassieke leeszalen (omdat de informatiebronnen vanop de werkplek te consulteren zijn). Anderzijds wordt er van universiteitsbibliotheken een heel andere functionaliteit verwacht. Dat is lastig, want er zijn nog altijd studenten en onderzoekers die in stilte willen werken terwijl collega’s in groep moeten werken. Ook de wisselende bezettingsgraad doorheen het jaar maakt het de bibliothecaris niet gemakkelijk. De klassieke bibliotheekruimten voldoen absoluut niet meer. Moeten zij dus vlug enkele bestaande ruimtes ombouwen? Welk van die ruimtes moeten in dat geval eerst worden aangepakt. Stel dat het om een hype gaat, die na een paar jaar weer wegwaait.

De nieuwe missie

In zijn boek Expect More spreekt auteur David Lankes (2012) niet zozeer tot de bibliothecaris maar richt hij zich vooral diegenen die gebruik maken van de bibliotheken. Lankes stelt duidelijk dat er meer van de bibliotheek moet worden verwacht om het ultieme doel te bereiken: “The core mission of libraries, public and otherwise, is creating a nation of informed and active citizens” (p 20). Hij vermoedt dat voor bibliotheekcollecties Pareto’s 80/20-regel opgaat: 80% van het gebruik komt van 20% van de collectie (p 27). Kan dan 80% van de collectie in een (afgelegen) magazijn geplaatst worden? Wellicht niet, of toch niet wanneer de bibliothecaris een storm van protest wil voorkomen (een bibliothecaris hanteert andere regels die meestal tot meer tevredenheid leiden). De collecties van boeken, tijdschriften en naslagwerken kunnen momenteel niet ergens ver weg in een magazijn geplaatst worden (en zeker niet definitief verwijderd worden).

Gelden de vijf wetten voor bibliotheekwetenschap van Ranganathan nog altijd? Deze vijf wetten (opgesteld in 1931) luiden:

  1. Boeken zijn er om te gebruiken
  2. Elke lezer zijn of haar boek
  3. Elke boek zijn lezer
  4. Bespaar de tijd van de gebruiker
  5. De bibliotheek is een groeiend organisme

Deze wetten klinken heel klassiek en daardoor misschien wat oubollig. Hebben ze niet enkel en alleen betrekking op de klassieke bibliotheek, met alleen maar stille leeszalen en daarin alleen gedrukte boeken en tijdschriften? De vijf wetten van Ranganathan zijn heel universeel en kunnen ook elders toegepast worden, mits een kleine vertaalslag. Zo zijn er vertalingen naar ‘documentatie’, ‘media’, ‘het web’ en updates naar meer moderne formuleringen. Juist door hun universaliteit hebben deze wetten een grote aantrekkingskracht. Moeten we echter de missie van hedendaagse bibliotheken niet herzien en aanpassen aan de hedendaagse noden?

Lankes formuleert het heel duidelijk: “Today’s great libraries are transforming from quiet buildings with a loud room or two to loud buildings with a quiet room. They are shifting from the domain of the librarians to the domain of the communities” (p 32), en “The mission of a library is to improve society through facilitating knowledge creation in the community” (p 33). Bibliotheken deden dat al wel, kenniscreatie faciliteren en daardoor bijdragen aan de gemeenschap. In tijden van crisis, zoals ik dat in de vorige paragrafen beschreef, moeten we heel wat meer doen in deze richting: de basismissie ten volle als Basis van de Missie opvatten. De openbare bibliotheek van New York heeft de korte en duidelijke missie: “The mission of The New York Public Library is to inspire lifelong learning, advance knowledge, and strengthen our communities”.

Het zijn dus niet meer de lezers die rechtstreeks geambieerd moeten worden in bibliotheken. Veeleer moet de mogelijkheid geboden worden om kennis te creëren. Van de missie van de bibliotheek mag je meer verwachten en dat overstijgt duidelijk het aanleggen van louter een mooie collectie. Gedaan met de statige, maar statische bibliothecaris. We hebben nood aan een dynamische en gerespecteerde bibliothecaris die naar de gemeenschap toe stapt. Gedaan, zegt ook Lankes (p 75) met de lezers en de gebruikers: laten we eerder spreken over leden (van de bibliotheek waar je meer van mag verwachten). Het gaat immers om leden van de gemeenschap die je wil dienen en voorzien van de middelen om kennis te creëren.

Er is heel wat werk aan de winkel. En deze zware opdracht komt dan net op het moment dat de opleiding Informatie- en bibliotheekwetenschappen na 31 jaar wordt stopgezet aan de Antwerpse Universiteit. Ramp boven ramp: dit is de enige opleiding in Vlaanderen op universitair niveau die leidt tot nieuwe bibliothecarissen die een managementfunctie ambiëren. Er zijn in Vlaanderen ook de bibliotheekscholen die uitmuntende opleidingen geven: afgestudeerden zijn technisch heel goed en krijgen binnenkort (er is een omvorming aan de gang) een bachelordiploma. Toegegeven, de opleiding aan de Antwerpse universiteit mocht wat worden bijgeschaafd en gemoderniseerd. Men was daar volop werk van aan het maken. Men mikte op studenten die een volwaardig masterdiploma zouden behalen. De plannen waren al vergevorderd. Maar het ontbrak de IBW-opleiding aan voldoende academisch personeel (wat de overheid van de universiteit nodig acht voor de leefbaarheid van een masteropleiding). En toen werd ook nog de subsidiering vanwege de Provincie Antwerpen stopgezet. Ik interpreteer dat als de druppel die de emmer deed overlopen en de UAntwerpen deed beslissen om de IBW-opleiding volledig stop te zetten.

Daar staan we nu in Vlaanderen. Momenteel wordt onder impuls van de Vlaamse Vereniging voor Bibliotheek, Archief en Documentatie onderzocht hoe er weer een volwaardige bibliotheekopleiding op masterniveau kan ingericht worden in dit landsgedeelte. Mogelijk gebeurt dit in samenwerking met het ‘buitenland’, bijvoorbeeld Nederland, maar ook Brussel is een mogelijkheid (in de Vlaamse onderwijswereld is de ULB inderdaad ‘buitenland’).

Hoe gegeerd zal een dergelijke opleiding zijn? Personeel dat nieuwe functies krijgt moet misschien ook wel een opleiding van korte duur krijgen. Een bijkomend masterdiploma halen kost te veel tijd. Na de besparingen op personeel van de laatste jaren kampen we met een personeelstekort dat zou moeten worden aangevuld (denken we bijvoorbeeld aan de uitgebreidere openingsuren). In tijden van crisis zijn de mogelijkheden echter beperkt. Potentiële studenten zullen worden afgeschrikt wanneer ze horen dat er massaal op bibliotheekpersoneel wordt bespaard. Op de langere termijn zou het ontbreken van een bibliotheekopleiding tot nog meer problemen kunnen leiden: gekwalificeerd personeel dat met pensioen gaat kan, als het al vervangen wordt, niet meer opgevolgd worden door jonge personeelsleden gezien zij een degelijke opleiding missen. Vlaanderen snakt dus naar een opleiding voor bibliothecarissen op masterniveau. De huidige besparingen op de vorming van nieuwe bibliothecarissen leveren misschien een kleine winst op de korte termijn, maar zij dreigen op de langere termijn een veel grotere kost te veroorzaken.

Het library, learning and innovation centre

In een universiteitsbibliotheek moeten we inspelen op het massablokken. We moeten de leden van de universitaire gemeenschap helpen bij het verwerven en verwerken van informatie zodat nieuwe kennis gecreëerd wordt. Dat is niet zo nieuw. Wel nieuw is dat de bibliothecarissen naar de gemeenschap van leden toe moeten stappen. De bibliotheek moet zelf innoverend zijn, innovaties (ook van buiten de bibliotheek) tonen hoe het kan en zorgen dat de leden aangespoord worden tot innovatie. Dit is mogelijk door tijdelijke en meer permanente tentoonstellingen, maar ook door de nieuwste technologie aan te bieden en door te zorgen dat de nieuwste technologie die door de leden zelf meegebracht wordt ook door hen ter plaatse kan gebruikt worden. Dit wordt ook aangeduid met de Engelstalige term ‘bring your own device’ (BYOD): als leden hun eigen geavanceerde apparatuur meebrengen dan moet die ook kunnen werken in de nieuwe bibliotheek.

Op die manier spreken we niet meer over de bibliotheek, maar over een library, learning and innovation centre dat vernieuwing uitstraalt. Waar je de vernieuwing ruikt en voelt. Waar je ondergedompeld wordt in vernieuwing. We korten de nogal lange nieuwe naam best af: LLIC. De ICT-component is in het LLIC prominent aanwezig, functioneert vlekkeloos en biedt snelle aansluiting op het wereldwijde bassin van kennis en informatie. Het toegang vinden tot kennis en informatie mag geen drempel meer zijn. Het LLIC geeft haar leden een duw in de rug om moeiteloos kennis en informatie te vergaren met als ultiem doel kennis te creëren en te innoveren.

Uiteraard mogen de leden (al dan niet na registratie die vlot, liefst automatisch, moet kunnen verlopen om de drempel niet te zeer te verhogen) het LLIC spontaan en vrij binnen- en buitenlopen. Er moet voorzien worden in plaatsen waar een drankje en een hapje kunnen genuttigd worden. Leden die hun werkplek verlaten moeten hun materiaal kunnen verlaten zonder verhoogd risico op diefstal. Opbergplaatsen in de werkruimten of in het bureaumeubilair moeten voorzien zijn. We laten de leden beslissen hoe lang nog papieren boeken en tijdschriften gebruikt worden. In de ene discipline zal de overgang naar de elektronische versie al sneller gaan dan in de andere discipline. Daarom moeten de ruimten in een LLIC flexibel zijn. Wie aan nieuwbouw denkt houdt daar verplicht rekening mee. Ruimtes moeten zonder al te veel moeite of kosten kunnen vergroot en verkleind worden. We moeten ruimtes kunnen omtoveren zodat er 3D-printers kunnen komen en nieuwe apparatuur kan uitgetest en aangesloten worden. Zo komen we tot het beeld van de bibliotheek van de toekomst.

Aanbevelingen

Op basis van het bovenstaande kunnen enkele aanbevelingen geformuleerd worden.

  1. Nieuwe bibliotheekruimten (library, learning and innovation centres) moeten flexibele ruimten leveren die kunnen inspelen op veranderende noden, op korte en op lange termijn, noden die nu al kunnen voorzien worden, of nog niet.
  2. Een library, learning and innovation centre moet innovatie uitstralen zodat de leden tot creatie en innovatie uitgedaagd worden.
  3. Bibliotheken hebben als ultiem doel het faciliteren van kenniscreatie.
  4. Bibliotheken bieden nog altijd gedrukte boeken en tijdschriften aan (of hun elektronische tegenhangers) maar zorgen via hun niet-traditioneel aanbod voor uitdagingen aan de leden met tentoonstellingen, geavanceerde apparaten en leermiddelen.
  5. De leden van de bibliotheken moeten hoge(re) verwachtingen hebben van de bibliotheken en die verwachtingen ook kenbaar maken aan de bibliothecarissen.
  6. De nieuwe bibliothecaris moet meer en meer de interactie aangaan met de leden van bibliotheek, de (potentiële) gebruikers.
  7. De nieuwe bibliothecaris moet de leden kunnen helpen bij het gebruik van innovatieve apparatuur.
  8. Een regio moet bibliotheekopleidingen aanbieden op zowel bachelor- als masterniveau
  9. De nieuwe bibliothecaris moet in de opleiding het praktisch gebruik van geavanceerde technologieën meekrijgen.
  10. De nieuwe bibliothecaris moet zich blijven ontwikkelen om bij te blijven met de nieuwste technologieën.

Patrick Vanouplines
Hoofdbibliothecaris Vrije Universiteit Brussel
Voorzitter Vlaamse Vereniging voor Bibliotheek, Archief en Documentatie
Docent binnen de opleiding Informatie- en Bibliotheekwetenschap van de Universiteit Antwerpen

Referenties

Lankes, R. David (2012). Expect More – Demanding Better Libraries For Today’s Complex World. Digitale versie: http://quartz.syr.edu/blog/wp-content/uploads/2014/01/ExpectMoreOpen.pdf
(geconsulteerd op 6 juli 2015)

Missieverklaring van de openbare bibliotheek van New York: http://www.nypl.org/help/about-nypl/mission
(geconsulteerd op 6 juli 2015)

Nawoord

Dank aan Steven en Bram voor het grondig nalezen van de originele tekst.

Advertenties

1 reactie

Opgeslagen onder Actueel, Cultuur, Literatuur

Het Europees jaar van de burger: concertreeks door VUBorkest

attachment1

 

 

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Activiteit, Cultuur

Illusion of Purity, taboemuur afbreken met poëzie

VUBposter

 

Gerrit de Feyter startte enkele jaren geleden zijn project ‘Illusion of Purity’ op. Hij wil de gedichten die hij zelf schrijft voorlezen om de taboes rond mentale disorders verbreken. Niet evident voor iemand die aan het asperger spectrum lijdt (vorm van autisme), met meerdere angststoornissen en smetvrees heeft te kampen en vaak worstelt met depressiviteit. We ontmoeten hem en Sandra aan het metrostation Pétillon. Sandra maakt voor haar eindwerk aan het Rits een documentaire over hem. We herkennen Gerrit meteen. Excentriek, maar bovenal zichzelf. Later weet hij ons te vertellen dat hij het zeer belangrijk vindt dat mensen zichzelf moeten kunnen zijn. Wanneer we hem vragen naar wat het doel van de mens is, antwoordt hij dat elk mens een doel voor zichzelf moet kunnen stellen en dat moet proberen te bereiken. Er is geen god, er is geen tweede, derde of zevenduizendste leven. Wanneer we iets willen betekenen moeten we dat nu doen.

Gerrit, je woont nu in Brussel, maar je hebt al in verschillende landen gewoond. Vanwaar die drang om in het buitenland te wonen?

Ik ben opgegroeid in een klein dorpje in de buurt van Gent. Het was enorm verstikkend om daar te leven. Ik had het gevoel dat iedereen hetzelfde lot tegemoet ging. Huisje, tuintje, kindje. Ik had ook geen rolmodellen. Ik wist vooral hoe ik niet wilde worden. Ik vond dat het leven meer te bieden moest hebben. Aan het platteland heb ik geen positieve ervaringen. Ik wilde proeven van de wereld: mijn horizon verruimen, andere visies ontdekken. Zo heb ik ook al in Dublin, Belfast, Turkije en Barcelona gewoond. Je opgesloten voelen is één van de ergste gevoelens.

Nu woon je terug in België, ben je van plan om nog naar het buitenland te gaan?

Zeker. Ik ben teruggekomen omdat het in Spanje niet houdbaar was. Ik was constant mentaal vermoeid. Ik zat er volledig onderdoor. Mijn therapeut zei dat ik behandeld moest worden. Therapie is in Spanje echter onbetaalbaar. Bovendien waren er weinig therapeuten die voldoende Engels kenden. Het was gemakkelijker in België behandeld te worden. Bovendien kon ik dan bij mijn therapeut gaan die mij al heel lang opvolgt en mijn verhaal dus kent.

Hoe kwam je project Illusion of Purity tot stand?

In Barcelona was ik lid van een poëtische kring. Die organiseerde geregeld open microfoonavonden, waar ik geregeld op werd uitgenodigd. Na verloop van tijd voelde ik me daar niet meer op mijn plaats. De andere dichters schreven vooral ironische en sarcastische gedichten, terwijl ik eerder diepzinnige en vrij deprimerende gedichten schreef. Bovendien had ik het gevoel steeds voor hetzelfde publiek op te treden, waardoor ik mijn boodschap niet kon overbrengen. Hierdoor besloot ik een eenmansgroep op te starten: Illusion of Purity. Ik wilde het professioneel aanpakken.

“Soms voel ik mij als een prostituee
die zichzelf aan het verkopen is”

Ik benaderde zalen in Barcelona om solo op te treden. Zo bereikte ik een ander publiek en mensen die geïnteresseerd waren in het onderwerp van mijn gedichten. De vorderingen van mijn project gingen misschien niet zo snel als ik wou. Toch stond het project nooit stil. Af en toe kreeg ik ook publiciteit. Ik stuitte echter op een taalprobleem. Niet iedereen in Barcelona sprak Engels en het was dus niet evident mijn gedichten te verstaan. In de kleinere steden van Spanje was dit nog een groter probleem. Bovendien leerde ik de negatieve kanten van de media kennen. Veel beloven, weinig doen. Daarom ben ik blij dat er nu een documentaire over mij wordt gemaakt door een Rits studente en dat jullie mij willen interviewen. Het is belangrijk dat mijn project in de verf wordt gezet.

Heb je altijd al poëzie geschreven?

Toen ik in Noord-Ierland woonde, schreef ik al af en toe poëzie. Dit deed ik met muziek in mijn achterhoofd. Poëzie is voor mij mijn uitlaatklep om beter met gevoelens van frustratie en depressie om te gaan. Wanneer ik in Barcelona verbleef, heb ik een ervaring gehad die mij erg beïnvloed heeft. Ik luisterde naar het nummer Purity van The God Machine en dit raakte mij intens. Als kunst zo krachtig kan zijn dat het iemand kan raken en echt bij de keel kan grijpen, dan wil ik dit ook proberen met m’n poëzie. Ik heb mijn drempelvrees moeten overwinnen, maar elke persoon die ik kan raken, zie ik als een morele zegen. Je kunt muziek niet met poëzie vergelijken. Muziek bereikt een veel breder publiek. Bij een publiek van 100 personen één persoon kunnen raken, zie ik al als een overwinning.

Wat wil je met je poëzie bereiken?

Mijn poëzie is voor mij een wapen in de strijd tegen de taboes en stereotypen die bestaan rond de psychologische disorders waar ik aan lijd: OCD, depressie, smetvrees, asperger spectrum. Hier bestaan veel clichébeelden over. Het is ook een boodschap aan lotgenoten: wees trots op wie je bent, wees jezelf. Maar ook wil ik anderen hierover meer leren. Mensen met disorders hebben ook gevoelens zoals iedereen.
Ik doe dit ook vooral voor de volgende generaties. Zodat minderheden in de toekomst kunnen opgroeien in een betere leefomgeving waar de taboes niet meer zo groot zijn. Het is nooit mogelijk om zonder problemen op te groeien, maar een tolerantere samenleving, betere voorzieningen en een betere begeleiding zouden al een grote stap vooruit zijn. Ik ben een dromer, maar wel een realistische. Ik weet dat het een moeizame evolutie zal zijn. Maar zoals ik al zei: elke verbetering, hoe klein ook, is een stap in de goede richting.

“Ik wil graag op de barricade
van emancipatie gaan staan”


Waarom schrijf je vooral in het Engels?

Dat is een bewuste keuze. Het taboe is internationaal en Engels is een wereldtaal. Daarmee leg ik mezelf geen geografische beperkingen op. Bovendien komt mijn inspiratie ook in het Engels. Dit komt doordat ik vooral naar Engelstalige muziek luister en ook die melodieën in mijn achterhoofd heb terwijl ik schrijf.
Zorgt jouw project Illusion of Purity ervoor dat je levenslust hebt?
Ja, ik ben al van zeer jonge leeftijd atheïst. Ik geloof er dus in dat we maar één leven hebben en dat je dat leven ten volle moet benutten. Het leven heeft volgens mij geen doel op zich. De kunst is om voor jezelf een doel te stellen en zo betekenis te geven aan je leven. Voor mij is Illusion of Purity mijn levensdoel. Jezelf ontplooien zou voor iedereen een persoonlijk streefdoel moeten zijn. Zoals Aleister Crowley het ooit zo mooi zei: ‘Doe wat je wilt, dat zal de enige weg zijn. Liefde is de wet. En elke man en vrouw is een ster.
Illusion of Purity is mijn levensdoel omdat ik geloof in rechtvaardigheid.

Heb je het gevoel dat je project tot hiertoe veel succes heeft?

Ik vind van mezelf dat ik al veel bereikt heb, toch zou ik nog veel meer mensen willen bereiken. Soms stuit ik wel op haat. Mensen denken dat ik gedichten wil voordragen om in de spotlights te staan of om mijn ego op te poetsen. Terwijl het mijn boodschap is die ik in de spotlights wil zetten. Ik wil dat mijn woorden gehoord worden. Soms voel ik me als een prostituee, die zichzelf aan het verkopen is. Maar ik hoop op een sneeuwbaleffect. Hopelijk komen van een paar optredens een pak meer optredens.

Het is ons ondertussen bekend dat je gedichten schrijft en voordraagt om taboes rond mentale stoornissen te verbreken. Waar komt deze sterke wil vandaan? Niet iedereen is moedig genoeg om hier zo open over te zijn.

Ik had een zware jeugd. Ik denk dat elke minderheid fases doorloopt . De eerste fase bij mij was treuren en in een hoekje wegkruipen. Daarna volgde de fase van zelfacceptatie. Ik probeert mijn anders-zijn te aanvaarden, maar verborg mijn probleem wel nog voor de buitenwereld. Vervolgens merkte ik hoe absurd het was dat ik mijzelf voortdurend verstopte. Waarom deed ik dat? Wellicht uit frustratie en angst voor de conformistische maatschappij. Mensen worden meteen veroordeeld wanneer ze anders zijn. Maar wat is überhaupt normaal? Waar komen al die normen toch vandaan? Wie bedenkt die absurde regeltjes? Ze zijn als een kooi die onze zelfontplooiing in de weg staan. Het is een vicieuze cirkel. Zolang mensen in stilte lijden, wordt het taboe in stand gehouden. En zolang het taboe in stand wordt gehouden, blijven mensen in stilte lijden. Ik wil graag op de barricade van emancipatie gaan staan. Iemand moet de eerste steen van die taboemuur afbreken of er zal nooit vooruitgang komen.

Er kan veel veranderen op het vlak van het beleid rond mensen met een mental disorder. Wat zijn mogelijke oplossingen volgens jou?

Ik schrijf mijn gedichten vanuit mijn eigen ervaringen, zijnde als autist, als iemand met smetvrees, etc… Soms schrijf ik echter ook politiek getinte gedichten. Ik ben van mening dat politiek de basis is als je verandering wilt in de maatschappij. Hoe je het ook draait of keert, zonder politiek is een echte evolutie niet mogelijk.

“Wanneer ik politiekers hoor praten over normen en waarden,
denk ik altijd: man wat een onzin”

Eens het taboe doorbroken is, is het ook de bedoeling dat we effectief naar het beleid stappen zodat het kan inspelen op de veranderingen. Ik ben van mening dat er aparte scholen zouden moeten bestaan voor kinderen met autisme met leerkrachten die er speciaal voor opgeleid zijn. Ik vind dat niet ‘in hokjes denken’ omdat je als autist sowieso voortdurend in aanraking komt met niet-autisten. Als enige autist in een school met niet-autisten is het heel zwaar. Dat zorgt vaak voor pesterijen en trauma’s. Ik heb het zelf meegemaakt. Ik spreek nu specifiek over autisten, omdat ik niet weet hoe andere minderheidsgroepen daar tegenover staan.

Een andere oplossing waar het beleid kan voor zorgen is bijvoorbeeld een paspoort voor mental disorders. Daar staat dan op wat jouw disorder juist inhoudt. Bij een noodgeval of dergelijke kunnen dokters dan meteen weten hoe ze met jouw disorder kunnen omgaan. Het kan dus misverstanden voorkomen en een erkenning als minderheid opleveren.
Eveneens kan het beleid zorgen voor meer en betere toegankelijke hulpverlening en aanvaardbare prijzen voor medicatie. Het is bovendien nodig dat de lange wachtlijsten voor psychologische bijstand weggewerkt worden. Het zou niet mogen dat mensen lang moeten wachten om hulp te krijgen.

Ik wil mensen met een open geest leren leven. Het is niet nodig om vast te houden aan conservatie gewoontes. Wie heeft het bedacht dat een man geen rok mag dragen bijvoorbeeld? Wanneer dit toegelaten zou zijn, zouden misschien meer mannen dat doen. Er is een enorm probleem met onverdraagzaamheid in onze maatschappij. Mensen houden vast aan rollenpatronen, aan wat ze gewend zijn. Vele mensen denken dat hun vooroordelen onschuldig zijn, maar deze hebben wel degelijk gevolgen voor diegenen waarover het gaat. Men moet leren openstaan voor diversiteit. Het is niets om bang voor te zijn. Met diversiteit kun je op twee manieren omgaan. Ofwel veeg je de problemen onder tafel. Dan pak je het probleem niet aan. Ofwel stel je je als een tolerant mens op, die een tolerante samenleving wil. Helaas is de tweede manier nog steeds niet van toepassing in onze maatschappij. Minder vooroordelen zouden kunnen zorgen voor minder verzuurde mensen. Wanneer ik politiekers hoor praten over normen en waarden, denk ik altijd: man wat een onzin. Behandel elkaar goed is volgens mij de enige norm die er moet bestaan. Kortom: ik wil met Illusion of Puritiy toch een beetje verandering brengen. En je kunt geen evolutie bereiken als je je nek niet durft uitsteken. Het is een globaal probleem, dat ik globaal wil aanpakken.

Door: Virginie Reuse en Jana Miah

Op donderdag 16 mei kan je Gerrit De Feyter ’s avonds aan het werk zien in het Kultuurkaffee van de VUB (Pleinlaan 2, 1050 Elsene).
Die avond gaat daar Citylicious heart door, een variétéshow in het kader van het Artbeatsfestival. De inkom die avond is gratis.

Het volledige programma van die avond:
20:00 – Stand up comedian Robby Petit
20:35 – Roos! (muziek- bekend van ‘de 327’ van MNM)
http://www.mnm.be/audio/young-wild-free-door-roos-denayer
21:25 – Gerrit De Feyter – Illusion of Purity (Engelse poëzie tegen taboes)
http://illusionofpurity.wordpress.com/
21:45 – Nesra (muziek- rap)

23:00 -Afterparty met Rebel up!-
Meer info over het artbeatsfestival: http://www.facebook.com/events/443143935777192/?fref=ts

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Activiteit, Cultuur, Debat, Ethiek, Interculturalisme, Liefde, Literatuur, Vermeylenfonds

‘Au coeur volant’ strijkt neer in Brussel

affiche au coeur volant br kl

 

Op 2 augustus 1933 ontmoeten James Ensor en Albert Einstein elkaar in het restaurant ‘Au Coeur Volant’ in De Haan.
Einstein was op dat ogenblik wereldberoemd, had de Nobelprijs voor natuurkunde ontvangen en de wetenschappelijke wereld grondig door elkaar geschud met zijn artikelen over de relativiteitstheorie.
Als Jood en overtuigd pacifist was hij op de vlucht voor de gruwel van het opkomend nazisme in Duitsland.
Ensor was, na een moeilijke start, een internationaal erkend artiest, die met zijn heel aparte stijl de kunstwereld had weten te overtuigen van zijn uniek talent.

Waarover beide heren tijdens het diner hebben gepraat, hebben we het raden naar, maar uit nader onderzoek is gebleken dat beiden bijzonder gecharmeerd waren door de bevallige dame die hen tijdens de maaltijd bediende.

Op 7 mei 2013 ontmoeten Kurt Defrancq en Jean Paul Van Bendegem elkaar in het gelegenheidsrestaurant ‘Het Vliegend hart’ in Brussel.

Waarover beide heren tijdens hun diner zullen praten, komen we alles te weten. Niet gehinderd door de aanwezigheid van pottenkijkers, spreken de professor en de acteur vrijuit over leven, liefde en werk. Vermits beiden goed van de tongriem zijn gesneden, zorgt hun ontmoeting niet alleen voor verbaal vuurwerk maar ook voor poëtische amuse-gueules, die vakkundig bereid worden door chef, regisseur en acteur Herwig De Weerdt.

Of ze ook gecharmeerd raken door de uiterst bevallige dame die hen tijdens de maaltijd bedient, kom je te weten als de voorstelling bijwoont ….

Info en tickets: http://www.vub.ac.be/cultuur/kkt/index.php/nl/extravaganza/bysubevent?id=312 of http://www.facebook.com/events/558387217526331/

 

Zo kan je binnengluren in de interne keuken van kunst en wetenschap, Ensor en Einstein, maar mag je vooral proeven van de bekentenissen van twee heren ‘Qui ont le talent d’ être vieux sans être adulte.’

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Activiteit, Cultuur, Geschiedenis, Theater

“Leven toevoegen aan de jaren in plaats van jaren aan het leven”

Colloquium Active Ageing vrijdag 20/04 “De jeugd van tegenwoordig” Vlaams Parlement

Het is eens wat anders om een dagje door te brengen in het Vlaams Parlement. Er hing een zeer welkome sfeer. Deze was mede de verdienste van de charmante gastvrouw, Annabelle Van Nieuwenhuyse, die ons met warme stem verwelkomde op dit congres over de jeugd van tegenwoordig.

Zaal de Schelp

De slaapbeestjes verdwenen snel door onbeperkte koffiestroom, verzorgd door de parate dames in Vlaams-Parlementsuniform. Al moet ik toch vooral de gastvrouw danken voor de gemoedelijke start van de ochtend. Een presentatrice met présence, bekend van de openbare omroep alsook het gezicht van TV Brussel, loodste ons doorheen het programma.

Présentatrice met présence
Annabelle Van Nieuwenhuyse

De dagorde begon met een welkomstwoord van Dhr. Jan Peumans, die ons de accommodatie van het Vlaams Parlement in volle glorie ter beschikking stelde. Ik kon me niet van de gedachte ontdoen dat de geüniformeerde dames komende woensdag ook de mannen en vrouwen die zetelen in het Vlaams Parlement, over alle ideologische grenzen heen, van koffie zullen voorzien. Zo ook aan Dhr. Peumans die ons, ook al zijn we niet van hetzelfde gedacht, meer dan behoorlijk ontving. Waarvoor dank. De locatie in acht genomen kan ik niet anders dan de opvallend gele vlag in mijn gezichtsveld negeren en de positieve indruk van de architectuur te laten overheersen. Met respect gaf voorzitter Peumans het woord door aan zijn ‘ouderenprofessor’ Dominique Verté. Want ook de gemeente Riemst, waar Dhr. Peumans zijn honk staat, werd doorgelicht i.k.v. het ouderenbehoeftenonderzoek.

Dominique Verté zette in enkele zinnen het belang van intergenerationele solidariteit in de verf. Professor Verté voert al jaren een uitgebreid onderzoek in steden en gemeenten naar ouderen en hun behoeften, noden, kwaliteiten en risico’s. Het toeval wil dat net vandaag de resultaten van Liesbeth De Donder, rechterhand van Prof. Verté,  over de erbarmelijke woonomstandigheden van sommige ouderen voorpaginanieuws zijn van mijn gratis Metro.  Deze ligt nu stil en doorlezen in mijn handtas na de rush, eigen aan de ochtendtrein, richting Brussel.
Tot zover de inleidende sprekers waarvan me toch het meeste de lapsus bijblijft van de laatste m.b.t. de onontbeerlijkheid van solidariteit tussen gemeenschappen… euh… generaties!

Uit de aankondiging van Mevr. Van Nieuwenhuyse konden we opmaken dat op vlak van ageing studies volgende spreker, Chris Phillipson (Keele University) niet van de minste is.

Prof. Dr Chris Phillipson
van Keele University

Dr. Phillipsons stelde de resultaten van een Europese vergelijkende studie voor waaruit ik enkele frapante resultaten heb onthouden. Het blijkt dat een gemiddelde Duitser na zijn pensioenleeftijd slechts 6 van ziekte gevrijwaarde jaren over heeft, dit in groot contrast met Zweden waar men gemiddeld kan uitkijken naar een periode van 14 gezonde jaren. Europese topvrouw Merkel mag dan uitpakken met een ijzersterk Duitsland, deze en vele andere voorbeelden (o.a. lonen van 6€/u, nepstatuten en een actieve bevolking die leeft onder de armoedegrens) tonen de scheuren in het Duitse systeem.Terug naar eigen land, want ook België komt niet al te fraai uit dit onderzoek. 43% van de 65-plussers in ons land kan zich niet één week jaarlijkse vakantie permitteren. Een goeie professor goochelt niet met cijfers zonder daar ook beleidsinitiatieven aan te koppelen die een kentering kunnen betekenen mocht er degelijk op worden ingezet. Waaronder de niet te miskennen opdracht van de universiteiten om te erkennen dat kwaliteitsvol ouder worden ook betekent dat men geen ouderen uitsluit van postgraduate opleidingen. We hebben dringend een strategie nodig om Europese universiteiten aan te sporen ouderen te aanvaarden en te stimuleren om opleidingen te volgen.

Prof. Alan Hatton-Yeo
Chief executive of the Beth Johnson Foundation

De volgende spreker, Prof. Alan Hatton-Yeo van de Beth Johnson Foundation is geen groot voorstander van cijfers maar een man van de praktijk en dat is de reden waarom hij hier in Brussel voor ons staat. De Beth Johnson Foundation doet tal van projecten waarin generaties d.m.v. hun specifieke kwaliteiten dichter naar elkaar toe groeien, wat onontbeerlijk is voor sociale verbetering op alle vlakken. Zo is er een project waarbij tienermoeders kennis over het opvoeden opdoen van oudere vrouwen die reeds kinderen hebben grootgebracht.

Wat ik uit deze uiteenzetting vooral onthoud, is dat ouder worden begint bij de geboorte en alle leeftijdscategorieën aanbelangt. Een mooi voorbeeld van intergenerationele solidariteit is het systeem waarbij een middelbare schoolstudent uit de hogere jaren meter-/peterschap opneemt voor een 11-jarig kind dat start in het eerste jaar. Ook later kan dit meter- /peterschap de ‘angst’ voor het ouder worden opvangen.

Dr. Tinie Kardol
Chair Active Ageing, VUB

Tinie Kardol, Nederlandse prof die aan de VUB samenwerkt met BAS (Belgian Ageing Studies, medeorganisator van dit congres), is de laatste spreker van de dag om na de lunch over te gaan tot de workshops. De wereld van de ageing studies is aan de top blijkbaar ook een mannenwereld. De naam Tinie had ons enigszins op een verkeerd spoor gezet en in de deelnemerslijst werd hij dan ook als vrouw gecategoriseerd. Waarvoor onze excuses. De titel van dit stuk ontleen ik aan een uitspraak van Dhr. Tinie, wat mooi samenvat wat de betrachting is van de active ageing studies.

En toen was er lunch.

In de namiddag nam ik deel aan de workshop cultuur en educatie, begeleid door Tom De Mette, deskundige in ouderen en cultuurparticipatie. En tevens deskundig in het geven van een spreekbuis aan zijn deelnemers. Iedere participant kwam meerdere keren aan het woord wat de gever van de workshop toch eer aandoet en wat het uitwisselen van ervaringen al snel deed overgaan in het uitwisselen van visitekaartjes. Ook het Vermeylenfonds heeft enkele werk- en leerpunten aan te stippen als het aankomt op cultuurparticipatie van ouderen. Zo gaan onze activiteiten vooral ’s avonds door, wellicht kunnen we meer en andere mensen bereiken als we ook overdag evenementen plannen. Ons vrijwilligerswerk is zo georganiseerd dat het niet uitnodigend is voor iedereen. Er zijn zoveel kwaliteiten in het brede spectrum van wat een mens te bieden heeft, oud of jong, ziek of gezond. Het is onze taak een uitlaatklep te bieden voor talent en deze belangrijke bron van kennis terug te winnen door kansen te creëren voor iedereen. Een kleine primeur in dit verband: naar het schijnt zou onze nieuwe voorzitter Dany Vandenbossche de taak op zich hebben genomen een actuele versie te schrijven van De Taak van (het) August Vermeylen(-fonds). We wachten in spanning af.

Als afsluiter een warme oproep dit stuk aan te vullen met een woordje over het cabaret en muzikaal intermezzo door Viona Westra en Filip Verneert. De plicht riep en ik miste wellicht het mooiste en grappigste moment van de dag.     

De presentaties van Christophe Phillipson en Alan Hatan Yeo zijn te raadplegen op de website www.intergenerationeel.be alsook het verslag van de workshop van Tom De Mette.

(Fabjen Schotte; foto’s Marc De Coninck)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cultuur, Vermeylenfonds