Bib+, geef de bib in handen van wijken en verenigingen

Bib Evergem_1 Foto JP Drubbels

Jaren 70

De Vlaamse regering besliste om de bibliotheekplicht voor gemeenten af te schaffen. Via een nieuw decreet wil ze de gemeenten meer beleidsvrijheid en verantwoordelijkheid geven. De Vlaamse overheid betaalt 84 miljoen euro aan de gemeenten, bedoeld voor lokaal cultuurbeleid, maar in de toekomst zullen de gemeenten zelf kunnen beslissen hoe ze het geld besteden. Wat nu gaat naar cultuurcentra of bibliotheken kan dus (maar hoeft niet) een andere bestemming krijgen.

De decretale bibliotheekverplichting kwam er in 1978 op initiatief van toenmalig minister  van Cultuur Rika De Backer (CVP). Gemeenten werden verplicht een openbare bibliotheek in te richten die aan strenge erkenningsvoorwaarden diende te voldoen. Zo werd de hoogte van de rekken bepaald, de afstand tussen de boeken, de samenstelling van hun Raad van Beheer volgen het cultuurpact (1973). Deze plaatselijke bibliotheken (POB’s) werden stap voor stap  uitgebouwd tot vehikels voor cultuurspreiding, volgens de principes uit de ‘volksontwikkeling’  van de jaren 50. De collecties van de veelal parochiale bibliotheekjes werden door de jaren heen sterk uitgebreid met collecties die aan moderne criteria betreffende boekenaankoop beantwoordden en niet belemmerd werden door het verzuilde karakter. Met het decreet lokaal cultuurbeleid uit 1999 kreeg het bibliotheekbeleid een nieuwe impuls. Initiatieven om tot één grote Vlaamse bibliotheekcatalogus te komen, zagen toen het licht.

Als gevolg van de interne staatshervorming besliste de Vlaamse regering om in een andere verhouding met de lokale besturen om te gaan. Gemeentebesturen worden minder bevoogd en staan zelf in voor de organisatie van hun eigen dienstverlening. Als gevolg daarvan werd de bibliotheekverplichting afgeschaft. Deze beslissing gaat in vanaf januari 2016 maar  zal in de meeste gemeenten en steden wellicht niet veel verschil maken. Toch werd op deze beslissing afwijzend gereageerd.

Bib Evergem_10 Foto JP Drubbels

Buurtsolidariteit

Iedereen weet intussen dat gemeente- en stadsbesturen moeten besparen. De schrik zit er dus goed in dat deze ‘beleidsvrijheid’ een verdoken besparingsoefening zal worden. Argumenten te over: om te beginnen sluit de minister voor Cultuur het zelf niet uit dat met het wegvallen van de verplichting er mogelijk bibliotheken gaan sluiten. Dat is van een onbevangen eerlijkheid die de man absoluut siert en weinig wordt waargenomen in de Vlaamse politiek, maar die niet bepaald geruststellend klinkt. Te meer omdat we weten dat de Vlaamse gemeenten tussen 2008 en 2013 reeds 95 bibliotheekfilialen hebben gesloten. Maar wellicht nog belangrijker is de trend waar we niet onderuit kunnen; bibliotheken moeten het de laatste 10 jaar afleggen tegenover andere vormen van leesgedrag, onder andere door de opkomst van internet, e-books, luisterboeken. We zien immers de laatste 10 jaar een dalende trend van zowel het aantal lezers als het aantal ontleningen.

Maar het zijn niet alleen bibliotheken die kampen met een teruglopend publiek. Het klassieke socio-culturele verenigingsleven slaagt er met hun lokale afdelingen steeds moeilijker in om jonge leden aan te trekken en een aantrekkelijk palet van activiteiten op poten te zetten. We hebben het dan niet alleen over cultuurfondsen en andere ideologisch gesitueerde verenigingen, ook andere vormen van vrijwilligerschap zoals oudercomités e.d. hebben het moeilijker om hun werking op een hoog peil te houden.

Toch is het niet allemaal kommer en kwel. Buurten organiseren zich in comités om meer inspraak te krijgen in bijvoorbeeld de heraanleg van de weg, of om een fietspad te eisen. Ze houden petities, organiseren het lokale debat en eisen meer inspraak. Parallel aan deze trend merken we een toenemende belangstelling van allerlei nieuwe wijk- en dorpsinitiatieven met heel uiteenlopende doelstellingen en acties maar wel altijd met het oog op het versterken van de onderlinge buurtsolidariteit (voedselteams, allerlei deel- en geefinitiatieven, repair cafés, huiswerkmama’s en papa’s,….). Die ontwikkeling wegzetten als een hobby van jonge, tweeverdienende, blanke en stedelijke hipsters, is de realiteit onrecht aandoen. Vaak zonder enige vorm van middelen of ondersteuning zien we ook heel wat minder hip volk aan de slag in minder trendy buurten met een repair café of een geefplein.

Bib Evergem_8 Foto JP Drubbels

Versterkt lokaal cultuurbeleid

Het Vermeylenfonds is niet alleen voor het behoud van de bibliotheekverplichting uit emotionele redenen. De bibliotheek is voor ons een essentieel onderdeel van een basisdienstverlening die gemeenten aan haar inwoners moet verstrekken. Trouw aan onze waarden benadrukken we de sterke sociale rol die bibliotheken hebben in de lokale gemeenschap. Voor heel veel mensen is de bibliotheek de allereerste plek waar ze zoeken naar allerlei informatie voor hun vragen: Dat gaat niet alleen over informatie over de volgende reisbestemming maar ook over vragen in verband met rouw, gezondheid, verslaving, welzijn, zelfdoding,… Er is in het Vlaamse verkokerde welzijnslandschap nog steeds een grote drempel om zich rechtstreeks te richten tot gespecialiseerde instanties en heel veel mensen willen eerst voor zichzelf onderzoeken of ze een probleem hebben.

De bibliotheek is voor mensen met beperkte bestaansmiddelen (armen, jongeren, gepensioneerden,…) vaak de enige betrouwbare plek waar ze gratis én met de discrete hulp van de bibliotheekmedewerker aan de juiste informatie geraken. Met andere woorden, de bibliotheek is meer dan een plek waar je boeken kan ontlenen: ze vervult een enorm belangrijke en laagdrempelige sociale functie die in het debat – zoals het nu wordt gevoerd – veel te weinig aan bod komt.

Daarnaast ijvert het Vermeylenfonds vooral voor een nieuwe uitgebreide rol voor de bibliotheek/ het bibliotheekfiliaal. De bibliotheek van de toekomst1 draait om mensen, ontmoetingen en ervaringen, en ook vorming. De toekomst van de bibliotheek ligt dus niet alleen in haar collecties en aanbod maar eveneens in haar engagement tegenover de lokale gemeenschap. Hoe kan die gemeenschap inspireren en mee de identiteit van de bibliotheek vormgeven?

Er zijn in Vlaanderen 304 officiële openbare bibliotheken met daarnaast tal van wijkfilialen in veel deelgemeenten. Eén op de vijf Vlamingen is aangesloten bij een openbare bibliotheek. Heel veel mensen worden langs deze weg dus aangesproken. Een openbare bibliotheek bewijst daarmee een erg laagdrempelige cultuurinstelling te zijn en een groep mensen aan te trekken die niet gemakkelijk toegang vindt tot cultuur. Het is dus niet omdat er minder ontleningen zijn dat we de andere taken en uitdagingen (zoals de digitale shift en het toegang krijgen tot digitale informatie) van de openbare bibliotheek zomaar moeten opgeven. Het Vermeylenfonds pleit er zelfs voor dat de bibliotheken een actieve en belangrijke rol spelen in het dichten van de digitale kloof.

De gemeente zal het in de toekomst zelf moeten doen . Ze zal daarvoor naar allianties moeten zoeken met andere gemeenten om samen proeftuinen op te zetten rond de digitale revolutie. Ze zullen gezamenlijke projecten moeten ontwikkelen om nieuwe Vlamingen te bereiken en ze zullen hun collectie moeten aanpassen. Ze zullen voor de ‘digital natives’ (zij die met de moderne technologie zijn opgegroeid, nvdr.) initiatieven moeten ontwikkelen om hun dienstverlenging ook voor hen aantrekkelijk te houden/maken. Maar ze zullen ook meer moeten samenwerken met de lezers en gebruikers. Ze zullen moeten leren om de vrijwilligers meer inspraak te geven en niet langer als goedkope werkkrachten te aanzien. Dat vraagt voor de gemeentebesturen een geheel nieuwe aanpak in haar dienstverlening. Ze zullen moeten experimenteren en nieuwe visies op lokale democratie en participatie ontwikkelen. Dat zal niet altijd van een leien dakje lopen.

Een werking zoals de ‘Buren van de Abdij’ in Gent toont alvast aan dat een falende stedelijke uitbating van de archeologische site van St-Baafs wel succesvol kan gebeuren door vrijwilligers. Op voorwaarde dat op een andere manier met vrijwilligers wordt omgesprongen. Bibliotheken (en bij uitbreiding ook cultuur- en gemeenschapscentra) zullen veel meer aandacht moeten schenken aan het persoonlijke ontwikkelingstraject van de vrijwilliger.

Op die manier kunnen sociaal-culturele verenigingen, wijkverenigingen en buurtcomités vanuit de gemeentelijke bibliotheek of het wijkfiliaal activiteiten opzetten om de buurtsolidariteit (verder) uit te bouwen: vb. huiswerkbegeleiding, wijkvergaderingen, repair café’s, ruilbeurzen en geefacties, ….

Het bib personeel hoeft niet per se altijd zelf de auteurslezingen, boekvoorstellingen en andere culturele activiteiten te organiseren. Dit kan men perfect aan de mede-beherende organisaties overlaten. Zo kan het personeel zich concentreren op de nieuwe uitdagingen zoals de ontlezing en de digitale omslag, en  daarvoor partners zoeken in andere gemeenten.

Met andere woorden: het Vermeylenfonds pleit voor het positieve alternatief. Ze kiest er niet voor om de belangrijkste en de meest laagdrempelige cultuurinstelling zomaar op te geven. Integendeel, ze gelooft in de emancipatorische kracht van cultuur en wil de sociale rol van de openbare bibliotheek versterken door uit te breiden en in medebeheer van de buurt te geven.

RAF BURM

raf_n
Raf Burm is historicus van opleiding, was raadgever cultuur in de vorige Vlaamse Regering en volgt het cultuurbeleid van nabij op als bestuurder van de stedelijke openbare bibliotheek Gent en het Gentse cultuurcentrum Gent. Raf Burm is eveneens lid van de Raad van Bestuur van het Vermeylenfonds.

1                 De Amerikaanse socioloog Ray Oldenburg heeft het over een third place: The Great Good Place, een plek die tussen thuis (first place) en werk (second place) in hangt. Een informele ontmoetingsplek waar creatieve interactie ontstaat. Volgens diezelfde Oldenburg essentiële zaken voor het welzijn van een gemeenschap.

1 reactie

Opgeslagen onder Actueel, Cultuur, Literatuur, Politiek

Van universiteitsbibliotheek naar centrum voor leren en innoveren

In dit artikel grasduin ik doorheen enkele ervaringen als bibliothecaris in de Universiteitsbibliotheek van de VUB. Ik probeer als aandachtige toeschouwer mee te kijken naar drie decennia bibliotheekevolutie die ik meemaakte en waag me aan een poging om vooruit te kijken.

Van waar komen we? 

Bibliotheken zijn niet meer wat ze geweest zijn. Ook evoluties die in eerste instantie niets met bibliotheken lijken te maken hebben, leiden afzonderlijk of samen toch een paradigmaverschuiving in de bibliotheekwereld. Waar is de tijd dat je tijdens het weekend naar de wijkbibliotheek ging om een goed leesboek op te sporen, te vinden en te lezen? Naar een wetenschappelijke bibliotheek ging je terwijl je studeerde en wanneer je onderzoek deed. Dat is nu allemaal anders. Moeten we nog naar de bibliotheek? Of kunnen we alles thuis of vanuit kantoor doen? Is de bibliotheek nog wel nodig? Vroeger legden bibliotheken collecties aan en stelden deze ter beschikking. In de ‘boekerijen’ vond je een ruim aanbod dat geselecteerd was door de bibliothecaris. De boeken en tijdschriften stonden netjes geordend volgens een systeem dat door bibliothecarissen bedacht was. Als lezer moest je daar even aan wennen, maar al gauw vond je de weg naar de afdeling die jou interesseerde. Het leuke van de zaak was dat in andere bibliotheken die ordening gelijk of op zijn minst heel gelijkaardig was. En dan was er ook de elektronische catalogus. Voor diegenen die vertrouwd waren met kaartenbakken en hun volgepropte inhouden was de online publiekscatalogus even aanpassen. De elektronische catalogus was uiteindelijk toch een verademing. De bibliothecaris kon er nu voor kiezen om nog meer op zijn of haar stoel te blijven zitten. Gelukkig kozen sommige bibliothecarissen voor een gezondere aanpak. Zij kondigden aan dat er bibliotheekinstructie was: uitleg dus bij de inrichting van de bibliotheek en het gebruik van elektronische catalogus.

ruimmetpatrick2

In universiteiten was er toen al een tijdje nog wat anders opgenomen in het aanbod. Je had er toegang tot elektronische gegevensbanken waarin je kon zoeken naar publicaties over een bepaald onderwerp. Jouw onderwerp dus. Deze opzoeking mocht je niet zelf doen: dat zou immers te duur uitvallen, want elke zoekopdracht, elke referentie die je binnenhaalde en zelfs elke seconde connectietijd kostte geld. En dus liet je dat zoekwerk over aan een gespecialiseerd personeelslid. Voor mij was dit mijn eerste job in de universiteitsbibliotheek. Ik deed dat werk heel graag: in de middelgrote VUB was ik de enige die dit werk deed. Zo kwam ik in contact met werkelijk al het onderzoek dat in de universiteit verricht werd. Tenminste, met dat onderzoek dat werd uitgevoerd door studenten en onderzoekers die weet hadden van deze dienstverlening. Ik maakte niet te veel reclame voor deze dienst aangezien mijn agenda al redelijk vol stond. Het werk deed ik met het grootste genoegen: als een tovenaar aan een klavier en een scherm die in verbinding stonden met een andere computer, die zich soms aan de andere kant van de wereld bevond. Het begrijpen van de onderzoeksvraag was ook een uitdaging: je moest heel analytisch te werk gaan om uit te pluizen wat de vragensteller nu eigenlijk wilde vinden. En dan het bijsturen. Soms ging het over de vraagstelling van de student of onderzoeker, heel soms het bijsturen van doctoraatsonderzoek (ook dat gebeurde af en toe, laten we zeggen een keer of twee per jaar). Ik durf nu wel bekennen dat ik van dit bijsturen het meeste genoot. Ik deed mijn werk graag gedurende tien jaar. Lang genoeg om vergroeid te raken met de toenmalige werkwijzen van de bibliotheek.

Waar stonden we tien jaar geleden? 

Toen kwamen de elektronische tijdschriften. Heel interessant, want nu kon je wetenschappelijke publicaties lezen zonder dat je naar de bibliotheek moest gaan. Elektronische bibliografische gegevensbanken kwamen rechtstreeks ter beschikking van de gebruiker. Er was geen intermediair meer nodig. Ik dreigde zonder werk te vallen. Maar geen nood: de gebruikers van deze gegevensbanken moesten opgeleid worden. En dus verzorgde ik informatiesessies. Soms voor volle auditoria, soms voor bijna lege auditoria, soms voor een groepje uiterst geïnteresseerde onderzoekers. Achteraf beschouwd was dit de eerste keer sinds jaren dat de bibliothecaris een stap naar voren zette, naar de gebruikers van de informatie toe. Wij, statige bibliothecarissen, verlieten onze ivoren toren. En de onderzoekers verlieten die van hen. Halverwege kwamen we elkaar tegen en begonnen – meer dan ooit voorheen – met elkaar te praten. Het ijs was gebroken. Het hek was van de dam.

Voor de bibliotheek van een middelgrote universiteit als de VUB braken gouden jaren aan. In Vlaanderen sloten we consortiumovereenkomsten, samen met andere universiteiten en hogescholen. Al deze instellingen hadden daar voordeel bij. De uitgevers blijven hun inkomsten generen, net als voorheen (soms een ietsje meer) maar soms boden ze hun hele tijdschriftenportfolio aan voor nagenoeg dezelfde prijs. Niet langer op papier: je kocht de toegang tot de elektronische variant. De papieren afleveringen van tijdschriften stopte je als bibliothecaris in magazijnen, of je kreeg deze zelfs helemaal niet meer toegestuurd. De plichtsbewuste bibliothecaris zorgde er echter wel voor dat de toegang tot de papieren tijdschriften verzekerd bleef. Dat was ook nodig omdat er een overgang was van bezit van de papieren tijdschriften naar een toegang tot elektronische tijdschriften die slechts openstond was zo lang je betaalde. Maar wat als je niet meer betaalde? De papieren collectie bleef, maar wat met al die nieuwe afleveringen van tijdschriften in elektronisch formaat? Tot nu toe zijn er geen rampen te melden, maar het gevaar ligt altijd op de loer. En dit gevaar wordt groter naarmate de bibliotheken meer moeten besparen. Gelukkig viel het op gebied van besparingen voorlopig nog wel mee. Maar ik durf al een tijdlang niet meer in mijn glazen bol te kijken omdat ik vrees dat zich dan alsmaar meer donderwolken aftekenen.

Het is ook in die periode dat ik hoofdbibliothecaris werd. Sommigen evolueren naar de job van hoofdbibliothecaris op grond van een degelijke opleiding. Sommigen worden pardoes aangesteld als manager van de bibliotheek. Voor mij was het een evolutie: nadat ik de stap zette van projectwerk (meestal over waterkwaliteit) in de toenmalige Faculteit Toegepaste Wetenschappen, werd ik aangetrokken door het vooruitzicht op een vaste aanstelling aan de universiteit. Zelfs al was dat niet meer als wetenschappelijk medewerker maar als lid van het administratief en technisch personeel. Ik herinner me nog dat ik mij op de dag dat ik mijn doctoraat verdedigde (toen ik al in de Universiteitsbibliotheek werkte) bedacht dat dit de laatste dag zou zijn waarop ik zelf wetenschappelijk werk deed. Van het bandwerk van de online opzoekingen belandde ik in een managementfunctie. Desondanks probeerde ik me steeds zoveel mogelijk in te leven in het onderzoekswerk van de ‘klant’ die voor een online opzoeking bij me langskwam. Dit was mijn manier om te evolueren naar de job van hoofdbibliothecaris: evoluerend in en met de bibliotheek.

Het metier leerde ik ‘on the spot’. Dat is helemaal geen slechte evolutie, maar vaak overwoog ik om de opleiding Informatie- en Bibliotheekwetenschap (IBW) te volgen aan de Universiteit Antwerpen. Het kwam er maar niet van. Toen werd ik gevraagd om de cursus Managementtechnieken in de Documentaire Informatie te doceren in die zelfde opleiding. Dat zorgde ervoor dat ik een aantal dingen op een rijtje kon en moest zetten. Net op dat moment moesten we in de VUB ons eerste strategisch plan schrijven. Het schrijven van een strategisch plan behoort nog steeds tot de verplichte oefeningen van mijn studenten aan de UAntwerpen.

Recente evoluties, spanningen en noden

Hoe lang houden de Vlaamse universiteitsbibliotheken nog stand vooraleer ze moeten schrappen in hun aanbod voor de toegang tot abonnementen en gegevensbanken? Sinds de crisis van 2008 hebben we het aanbod voor studenten en onderzoekers redelijk goed kunnen waarborgen. Personeel inleveren, dat wel, waardoor de dienstverlening van de bibliotheek onder druk komt te staan. Nieuwe initiatieven nemen durf je niet zo goed meer, tenzij het om iets heel innovatiefs gaat of om iets heel groots gaat. Dan kan je met wat geluk nog reserves aanspreken. Reserves kunnen echter niet gebruikt worden voor informatiebronnen die recurrent, jaar na jaar moeten betaald worden: de reserves zijn dan snel uitgeput.

Het einde van de besparingsronde is nog niet in zicht. In tegendeel, het ergste moet waarschijnlijk nog komen. Wat, en vooral wie, gaat daar onder lijden? In eerste instantie denk je dan aan studenten en onderzoekers. In tweede instantie bedenk je dat de uitgevers misschien wel hun prijzen zullen laten dalen (of zelfs verplicht zullen zijn dit te doen) wanner het geld echt op is (van grote uitgeverijen van wetenschappelijke tijdschriften is geweten dat hun winstmarges schandalig groot zijn).

Stel dat de Vlaamse universiteitsbibliotheken het op een akkoordje gooien. Ieder van de vijf universiteitsbibliotheken betaalt, versleuteld volgens de werkingsmiddelen van elke universiteit, een deel van de toegang tot de tijdschriften die zij voorheen elk afzonderlijk aanschaften. Als een student of een onderzoeker een artikel wenst dat in de andere universiteitsbibliotheek aanwezig is dan kan dat artikel toch binnen een dag (of twee) via de interbibliothecaire bruikleendienst (IBL) verkregen worden? Juist, maar let op het tijdsverschil. Voorlopig ziet een student of onderzoeker een referentie naar een interessant artikel en is hij of zij maar enkele clicks verwijderd van de inhoud van dat artikel. De IBL-oplossing zou voor een enorme vertraging zorgen. Onderwijs en onderzoek gaan er zo zienderogen op achteruit in Vlaanderen, zeker wanneer in andere landen de toegang tot elektronische tijdschriften en gegevensbanken niet in die mate beknot wordt. Uitgevers zullen het daar niet bij laten: wellicht zullen zij hun toestemming voor het gebruik van artikels via IBL beperken en prijsstijgingen zijn dan eveneens aan de orde. Het is een vicieuze cirkel.

Open access draait de rollen om: publicaties komen in online tijdschriften waar de lezer noch de bibliotheek voor moeten betalen, omdat de auteur betaalt voor de publicatie (eventueel op basis van een forse financiële bijdrage, bijvoorbeeld op basis van een forse inspanning in de editorial board van het tijdschrift, of op een andere manier – er is nu eenmaal niet zoiets als een gratis lunch). Daarnaast zijn er preprint servers waar auteurs een vroege versie van een artikel tot en met de voorlaatste versie van het artikel (met toelating van de meer klassieke uitgever) mogen plaatsen (een systeem waarbij astronomen en meer in het algemeen fysici het voortouw namen). Enigszins vergelijkbaar zijn de institutionele repositories waarin een auteur van de uitgever zijn of haar artikel mag plaatsen in de meer klassiek vorm. Zal dit alles er dan niet voor zorgen dat er een oplossing komt waarbij we minder moeten betalen aan geldhongerige uitgevers? Voorlopig niet, want in deze oplossingen spelen die klassieke uitgevers nog steeds een rol en de oplossingen waar zij niet tussenkomen zijn (voorlopig) te weinig uitgekristalliseerd. Publiceren kost geld. Je moet dit bovendien als vorser doen om voldoende fondsen te verwerven voor je onderzoek. Als wetenschapper publiceer je het liefst in een (papieren) tijdschrift met een zo hoog mogelijke impactfactor. Hoe hoger die impactfactor, hoe belangrijker jouw publicatie wordt in de ogen van buitenstaanders, maar ook in de ogen van insiders in hetzelfde vakgebied. We stoten tegen een inertie aan, die uiteraard ook in stand wordt gehouden door de klassieke uitgevers (die bovendien de berekeningen van de geliefde impactfactoren voor zich nemen). Het is geen teken van luiheid bij de bibliothecarissen, maar eerder een teken van onmacht en onwil, met aan de basis ervan het winstbejag van uitgevers.

Ook wat betreft het studeren zijn de tijden veranderd. Het fenomeen massablokken dat de laatste jaren de kop opstak blijkt ondertussen een niet meer weg te denken attitude in het hoger onderwijs te worden. Het massablokken speelt zich bij voorkeur af in de leeszalen van de bibliotheken. Als universiteitsbibliotheek moet je je reppen om voor de nodige studieplekken te zorgen in examentijd.

Ook wat betreft doceermethodes leven we in andere tijden. Weg met ex cathedralessen. Leve het groepswerk. En waar werken de studenten het liefst in groep? Juist, in de leeszalen van de bibliotheek, dicht bij allerlei faciliteiten. Af en toe (en soms meer dan af en toe) moet er een woordje gewisseld worden tijdens het groepswerk. Klassieke leeszalen zijn daar niet voor geschikt: daar moet immers de serene stilte heersen die geëist wordt door andere bibliotheekgebruikers.

Enerzijds blijven studenten en onderzoekers steeds meer weg uit de klassieke leeszalen (omdat de informatiebronnen vanop de werkplek te consulteren zijn). Anderzijds wordt er van universiteitsbibliotheken een heel andere functionaliteit verwacht. Dat is lastig, want er zijn nog altijd studenten en onderzoekers die in stilte willen werken terwijl collega’s in groep moeten werken. Ook de wisselende bezettingsgraad doorheen het jaar maakt het de bibliothecaris niet gemakkelijk. De klassieke bibliotheekruimten voldoen absoluut niet meer. Moeten zij dus vlug enkele bestaande ruimtes ombouwen? Welk van die ruimtes moeten in dat geval eerst worden aangepakt. Stel dat het om een hype gaat, die na een paar jaar weer wegwaait.

De nieuwe missie

In zijn boek Expect More spreekt auteur David Lankes (2012) niet zozeer tot de bibliothecaris maar richt hij zich vooral diegenen die gebruik maken van de bibliotheken. Lankes stelt duidelijk dat er meer van de bibliotheek moet worden verwacht om het ultieme doel te bereiken: “The core mission of libraries, public and otherwise, is creating a nation of informed and active citizens” (p 20). Hij vermoedt dat voor bibliotheekcollecties Pareto’s 80/20-regel opgaat: 80% van het gebruik komt van 20% van de collectie (p 27). Kan dan 80% van de collectie in een (afgelegen) magazijn geplaatst worden? Wellicht niet, of toch niet wanneer de bibliothecaris een storm van protest wil voorkomen (een bibliothecaris hanteert andere regels die meestal tot meer tevredenheid leiden). De collecties van boeken, tijdschriften en naslagwerken kunnen momenteel niet ergens ver weg in een magazijn geplaatst worden (en zeker niet definitief verwijderd worden).

Gelden de vijf wetten voor bibliotheekwetenschap van Ranganathan nog altijd? Deze vijf wetten (opgesteld in 1931) luiden:

  1. Boeken zijn er om te gebruiken
  2. Elke lezer zijn of haar boek
  3. Elke boek zijn lezer
  4. Bespaar de tijd van de gebruiker
  5. De bibliotheek is een groeiend organisme

Deze wetten klinken heel klassiek en daardoor misschien wat oubollig. Hebben ze niet enkel en alleen betrekking op de klassieke bibliotheek, met alleen maar stille leeszalen en daarin alleen gedrukte boeken en tijdschriften? De vijf wetten van Ranganathan zijn heel universeel en kunnen ook elders toegepast worden, mits een kleine vertaalslag. Zo zijn er vertalingen naar ‘documentatie’, ‘media’, ‘het web’ en updates naar meer moderne formuleringen. Juist door hun universaliteit hebben deze wetten een grote aantrekkingskracht. Moeten we echter de missie van hedendaagse bibliotheken niet herzien en aanpassen aan de hedendaagse noden?

Lankes formuleert het heel duidelijk: “Today’s great libraries are transforming from quiet buildings with a loud room or two to loud buildings with a quiet room. They are shifting from the domain of the librarians to the domain of the communities” (p 32), en “The mission of a library is to improve society through facilitating knowledge creation in the community” (p 33). Bibliotheken deden dat al wel, kenniscreatie faciliteren en daardoor bijdragen aan de gemeenschap. In tijden van crisis, zoals ik dat in de vorige paragrafen beschreef, moeten we heel wat meer doen in deze richting: de basismissie ten volle als Basis van de Missie opvatten. De openbare bibliotheek van New York heeft de korte en duidelijke missie: “The mission of The New York Public Library is to inspire lifelong learning, advance knowledge, and strengthen our communities”.

Het zijn dus niet meer de lezers die rechtstreeks geambieerd moeten worden in bibliotheken. Veeleer moet de mogelijkheid geboden worden om kennis te creëren. Van de missie van de bibliotheek mag je meer verwachten en dat overstijgt duidelijk het aanleggen van louter een mooie collectie. Gedaan met de statige, maar statische bibliothecaris. We hebben nood aan een dynamische en gerespecteerde bibliothecaris die naar de gemeenschap toe stapt. Gedaan, zegt ook Lankes (p 75) met de lezers en de gebruikers: laten we eerder spreken over leden (van de bibliotheek waar je meer van mag verwachten). Het gaat immers om leden van de gemeenschap die je wil dienen en voorzien van de middelen om kennis te creëren.

Er is heel wat werk aan de winkel. En deze zware opdracht komt dan net op het moment dat de opleiding Informatie- en bibliotheekwetenschappen na 31 jaar wordt stopgezet aan de Antwerpse Universiteit. Ramp boven ramp: dit is de enige opleiding in Vlaanderen op universitair niveau die leidt tot nieuwe bibliothecarissen die een managementfunctie ambiëren. Er zijn in Vlaanderen ook de bibliotheekscholen die uitmuntende opleidingen geven: afgestudeerden zijn technisch heel goed en krijgen binnenkort (er is een omvorming aan de gang) een bachelordiploma. Toegegeven, de opleiding aan de Antwerpse universiteit mocht wat worden bijgeschaafd en gemoderniseerd. Men was daar volop werk van aan het maken. Men mikte op studenten die een volwaardig masterdiploma zouden behalen. De plannen waren al vergevorderd. Maar het ontbrak de IBW-opleiding aan voldoende academisch personeel (wat de overheid van de universiteit nodig acht voor de leefbaarheid van een masteropleiding). En toen werd ook nog de subsidiering vanwege de Provincie Antwerpen stopgezet. Ik interpreteer dat als de druppel die de emmer deed overlopen en de UAntwerpen deed beslissen om de IBW-opleiding volledig stop te zetten.

Daar staan we nu in Vlaanderen. Momenteel wordt onder impuls van de Vlaamse Vereniging voor Bibliotheek, Archief en Documentatie onderzocht hoe er weer een volwaardige bibliotheekopleiding op masterniveau kan ingericht worden in dit landsgedeelte. Mogelijk gebeurt dit in samenwerking met het ‘buitenland’, bijvoorbeeld Nederland, maar ook Brussel is een mogelijkheid (in de Vlaamse onderwijswereld is de ULB inderdaad ‘buitenland’).

Hoe gegeerd zal een dergelijke opleiding zijn? Personeel dat nieuwe functies krijgt moet misschien ook wel een opleiding van korte duur krijgen. Een bijkomend masterdiploma halen kost te veel tijd. Na de besparingen op personeel van de laatste jaren kampen we met een personeelstekort dat zou moeten worden aangevuld (denken we bijvoorbeeld aan de uitgebreidere openingsuren). In tijden van crisis zijn de mogelijkheden echter beperkt. Potentiële studenten zullen worden afgeschrikt wanneer ze horen dat er massaal op bibliotheekpersoneel wordt bespaard. Op de langere termijn zou het ontbreken van een bibliotheekopleiding tot nog meer problemen kunnen leiden: gekwalificeerd personeel dat met pensioen gaat kan, als het al vervangen wordt, niet meer opgevolgd worden door jonge personeelsleden gezien zij een degelijke opleiding missen. Vlaanderen snakt dus naar een opleiding voor bibliothecarissen op masterniveau. De huidige besparingen op de vorming van nieuwe bibliothecarissen leveren misschien een kleine winst op de korte termijn, maar zij dreigen op de langere termijn een veel grotere kost te veroorzaken.

Het library, learning and innovation centre

In een universiteitsbibliotheek moeten we inspelen op het massablokken. We moeten de leden van de universitaire gemeenschap helpen bij het verwerven en verwerken van informatie zodat nieuwe kennis gecreëerd wordt. Dat is niet zo nieuw. Wel nieuw is dat de bibliothecarissen naar de gemeenschap van leden toe moeten stappen. De bibliotheek moet zelf innoverend zijn, innovaties (ook van buiten de bibliotheek) tonen hoe het kan en zorgen dat de leden aangespoord worden tot innovatie. Dit is mogelijk door tijdelijke en meer permanente tentoonstellingen, maar ook door de nieuwste technologie aan te bieden en door te zorgen dat de nieuwste technologie die door de leden zelf meegebracht wordt ook door hen ter plaatse kan gebruikt worden. Dit wordt ook aangeduid met de Engelstalige term ‘bring your own device’ (BYOD): als leden hun eigen geavanceerde apparatuur meebrengen dan moet die ook kunnen werken in de nieuwe bibliotheek.

Op die manier spreken we niet meer over de bibliotheek, maar over een library, learning and innovation centre dat vernieuwing uitstraalt. Waar je de vernieuwing ruikt en voelt. Waar je ondergedompeld wordt in vernieuwing. We korten de nogal lange nieuwe naam best af: LLIC. De ICT-component is in het LLIC prominent aanwezig, functioneert vlekkeloos en biedt snelle aansluiting op het wereldwijde bassin van kennis en informatie. Het toegang vinden tot kennis en informatie mag geen drempel meer zijn. Het LLIC geeft haar leden een duw in de rug om moeiteloos kennis en informatie te vergaren met als ultiem doel kennis te creëren en te innoveren.

Uiteraard mogen de leden (al dan niet na registratie die vlot, liefst automatisch, moet kunnen verlopen om de drempel niet te zeer te verhogen) het LLIC spontaan en vrij binnen- en buitenlopen. Er moet voorzien worden in plaatsen waar een drankje en een hapje kunnen genuttigd worden. Leden die hun werkplek verlaten moeten hun materiaal kunnen verlaten zonder verhoogd risico op diefstal. Opbergplaatsen in de werkruimten of in het bureaumeubilair moeten voorzien zijn. We laten de leden beslissen hoe lang nog papieren boeken en tijdschriften gebruikt worden. In de ene discipline zal de overgang naar de elektronische versie al sneller gaan dan in de andere discipline. Daarom moeten de ruimten in een LLIC flexibel zijn. Wie aan nieuwbouw denkt houdt daar verplicht rekening mee. Ruimtes moeten zonder al te veel moeite of kosten kunnen vergroot en verkleind worden. We moeten ruimtes kunnen omtoveren zodat er 3D-printers kunnen komen en nieuwe apparatuur kan uitgetest en aangesloten worden. Zo komen we tot het beeld van de bibliotheek van de toekomst.

Aanbevelingen

Op basis van het bovenstaande kunnen enkele aanbevelingen geformuleerd worden.

  1. Nieuwe bibliotheekruimten (library, learning and innovation centres) moeten flexibele ruimten leveren die kunnen inspelen op veranderende noden, op korte en op lange termijn, noden die nu al kunnen voorzien worden, of nog niet.
  2. Een library, learning and innovation centre moet innovatie uitstralen zodat de leden tot creatie en innovatie uitgedaagd worden.
  3. Bibliotheken hebben als ultiem doel het faciliteren van kenniscreatie.
  4. Bibliotheken bieden nog altijd gedrukte boeken en tijdschriften aan (of hun elektronische tegenhangers) maar zorgen via hun niet-traditioneel aanbod voor uitdagingen aan de leden met tentoonstellingen, geavanceerde apparaten en leermiddelen.
  5. De leden van de bibliotheken moeten hoge(re) verwachtingen hebben van de bibliotheken en die verwachtingen ook kenbaar maken aan de bibliothecarissen.
  6. De nieuwe bibliothecaris moet meer en meer de interactie aangaan met de leden van bibliotheek, de (potentiële) gebruikers.
  7. De nieuwe bibliothecaris moet de leden kunnen helpen bij het gebruik van innovatieve apparatuur.
  8. Een regio moet bibliotheekopleidingen aanbieden op zowel bachelor- als masterniveau
  9. De nieuwe bibliothecaris moet in de opleiding het praktisch gebruik van geavanceerde technologieën meekrijgen.
  10. De nieuwe bibliothecaris moet zich blijven ontwikkelen om bij te blijven met de nieuwste technologieën.

Patrick Vanouplines
Hoofdbibliothecaris Vrije Universiteit Brussel
Voorzitter Vlaamse Vereniging voor Bibliotheek, Archief en Documentatie
Docent binnen de opleiding Informatie- en Bibliotheekwetenschap van de Universiteit Antwerpen

Referenties

Lankes, R. David (2012). Expect More – Demanding Better Libraries For Today’s Complex World. Digitale versie: http://quartz.syr.edu/blog/wp-content/uploads/2014/01/ExpectMoreOpen.pdf
(geconsulteerd op 6 juli 2015)

Missieverklaring van de openbare bibliotheek van New York: http://www.nypl.org/help/about-nypl/mission
(geconsulteerd op 6 juli 2015)

Nawoord

Dank aan Steven en Bram voor het grondig nalezen van de originele tekst.

1 reactie

Opgeslagen onder Actueel, Cultuur, Literatuur

“Holocaust der boten”

Schaam u diep, Theo Francken

Dat schrijft Bob Pleysier, de gewezen directeur-generaal van Fedasil (Klein Kasteeltje enz). http://www.demorgen.be/opinie/schaam-u-diep-theo-francken-a2308256/

Onze federale minister zei immers op de televisie, zondag in de Zevende Dag, dat hij “te velde” in Libië de boten wil vernietigen van de mensensmokkelaars – de boten dus waarmee vluchtelingen uit Syrië, Afghanistan, Libië…, de hel in hun land ontvluchten. http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/politiek/1.2326257

Pleysier noemt dit terecht “…zijn hysterische oproep voor de Holocaust der boten”.

Zou Francken geen christelijke opvoeding gekregen hebben zoals de meeste Vlaamse kinderen? “De vreemdelingen herbergen” is één van de plichten van een christen.

Zou Francken de wet niet kennen, die eenieder verplicht een persoon in nood te helpen? Wat zegt de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, over veiligheid, over vrijheid van verplaatsing?

De maatregel van Francken is de deuren vergrendelen van een brandend gebouw zodat niemand kan ontsnappen.

Maar bedreigen deze vluchtelingen onze welvaartstaat? Moeten we onze burgers verplichten hun bezittingen te verdelen met de asielzoekers? Volgens de Wereldbank en de OESO kunnen migranten hun eigen welvaart produceren; het BNP en de belastingsinkomsten stijgen. http://www.demorgen.be/plus/wat-als-alle-afrikanen-nu-eens-welkom-waren-a-1429832162351/
Editoriaal van DeMorgen: http://www.demorgen.be/plus/standpunt-a-1429832163864/

Eerder schreef ik over het “Europees cynisme: eerst heeft het Westen chaos geschapen in meerdere moslimlanden, door aldaar de regeringen, leger en bestuursorganen en infrastructuur te vernietigen. De bombardementen gaan nog steeds door. Vervolgens willen onze ministers de miljoenen slachtoffers van die oorlogen geen opvang bieden in Europa, noemen ze hen illegalen, en snijden ze alle vluchtroutes af. Tenslotte dikke tranen over de vrouwen en kinderen die verdrinken”.

Frank Roels

 

6 reacties

Opgeslagen onder Actueel, Debat, Economie, Ethiek, Europa, Humanisme

SUPERDIVERS, Over interculturaliteit en verenigingsleven

Bert Anciaux bolwerk

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Activiteit, Cultuur, Interculturalisme, Vermeylenfonds

Toer de Geuze 2015

toer de geuze 2015

Ga mee op de toer de Geuze 2015 langs Lindemans, 3 Fonteinen, Hanssens, Boon en Tilquin. Goed tegen de dorst!
Klik op bovenstaande foto voor alle informatie!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Activiteit, Cultuur, Vermeylenfonds

Vrije Meningsuiting en Radicalisering

Desmet-page-001

Vermeylenfonds Mol, De Mens Nu en H.V.V. nodigen u van harte uit op de lezing

Vrije Meningsuiting 
en Radicalisering

door Yves Desmet, opiniërend hoofdredacteur van De Morgen

Dinsdag 3 maart 2015 – 20u
Podiumzaal cc ’t Getouw Mol
Gratis inkom

Klik Desmet voor de uitnodiging

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Activiteit, Actueel, Ethiek, Humanisme, Politiek, Vermeylenfonds

Fotograaf Hendrik Braet op ‘Visite’

visite
(voor de volledige flyer, klik hier)

VISITE

Een fotoproject rond ‘samenleven’ in de wijk Scheldekouter in Ronse.
Bevriende buren werden in elkaars living gefotografeerd.
Het resultaat is een unieke visuele kruisbestuiving.

Fotograaf is Hendrik Braet

vernissage: vrijdag 27 maart 2015 om 19 uur
open: zaterdag 28 en zondag 29 maart 2015
van 14 tot 18 uur
locatie: CC de Brouwerij, Priestersstraat 13
website: http://visiteronse.tumblr.com
Een samenwerking tussen Linx+, Curieus, Vermeylenfonds en Samenlevingsopbouw

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Activiteit, Cultuur, Humanisme, Vermeylenfonds

 GENT KLEURT ORANJE in 2015

witte

Wees welkom in de zaal van het Liberaal Archief voor de lezing van Professor em. Els Witte, dé grote specialiste van het orangisme.

Geschiedenis wordt, werd vooral door de overwinnaars geschreven, gemaakt en ook via alle onderwijskanalen ingeprent en gevestigd. En dat geldt zeker voor de geschiedenis van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (VKN) en de scheiding.

Heel wat mensen uit zowel de Westhoek als Henegouwen en Luik, Gent , Antwerpen en elders werden géén gelukkige Belgen in 1830, ze accepteerden de revolutie niet. Lang niet enkel de Franstalige economische elite en adel was in grote mate orangist, maar ook wel middenklassers, arbeiders en katholieke geestelijken. Méér dan 10 jaar was het prille België bedreigd; het orangistisch verzet bleef nog lange tijd voortduren én het leeft zeker nog verder in onze stad.

Nochtans was orangisme vanaf 1834 een misdrijf en orangisten werden als criminelen behandeld, getroffen door ‘zuiveringen’ en vervolging. Veel posities, carrières, bezittingen en eergevoel werden vernietigd. Dat alles lezen we bij Els Witte.

Vier zeer intense onderzoeksjaren lang dook  professor Witte in alle mogelijke archieven van Noord en Zuid en tal van nauwelijks onderzochte documenten en archieven waarvan zij het geheimschrift ontcijferde, brachten veel aan het licht. Veel historische zekerheden zijn daardoor gevallen en mythes ontzenuwd.
Het kritische kwaliteitsblad NRC schreef: “ Het gebeurt niet vaak dat een historicus geschiedenis echt kan herschrijven. Maar Els Witte is het gelukt.”

Laten we hopen dat deze kennis, waarheid en werkelijkheid ook door mag dringen ,zeker al bij de historici en in de geschiedenisboeken van Noord en Zuid!

U bent van harte welkom op de avond met PROFESSOR ELS WITTE over haar onderzoek en boek “Het verloren Koninkrijk” op WOENSDAG 4 MAART, 18 UUR, lokaal LIBERAAL ARCHIEF, KRAMERSPLEIN 23, GENT

dichtbij veel openbaar vervoer en vlakbij de parkeerplaats van het Sint-Pietersplein.

Een samenwerking van ALGEMEEN NEDERLANDS VERBOND OOST- EN ZEEUWS-VLAANDEREN met het Liberaal Archief, het Willemsfonds, Het Liberaal Vlaams Verbond, het Vermeylenfonds, Rodenbachfonds, Masereelfonds en afdelingen van  Davidsfonds regio Gent.

Toegang gratis maar graag inschrijven: ria.goossenaerts@skynet.be

Met de steun van

o-vl  gent

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Activiteit, Geschiedenis, Literatuur, Politiek

Lezing ‘Media en politiek’ door Yves Desmet (De Morgen)

Klik op onderstaande foto:

nieuwsbrief

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Activiteit, Politiek

‘Beschermers’ vrije meningsuiting kortwieken vrijzinnigheid

Open brief aan de Oost-Vlaamse provincieraad

In de nasleep van de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo waren Vlaamse politici er als de kippen bij om zich te profileren en op te werpen als beschermers van de vrije en open samenleving, de vrije meningsuiting en de idealen van de Verlichting. Daar is op zich natuurlijk niets mis mee, maar laat ons eens bekijken hoe zich de lippendienst aan die waarden en idealen vertaalt in de praktijk, op het niveau van de Oost-Vlaamse provincie. Het eerste woord dat in ons opkomt is dan: hypocriet.

Want welk besluit nam de provincieraad onlangs ten aanzien van de vrijzinnig-humanistische gemeenschap, een levensbeschouwing die altijd net deze waarden – die nu zogezegd zo zwaar onder druk staan – verdedigd en uitgedragen heeft? De provincieraad besliste op 3 september 2014 om de subsidies aan de vrijzinnige gemeenschap in Oost-Vlaanderen met een derde te verminderen, dit op voordracht van de deputatie.

Door de vrijzinnige verenigingen zonder pardon in hun portemonnee te knijpen wordt de vrijzinnigheid ernstig in haar werking beknot. We verliezen immers een derde van onze werkingsmiddelen, waarmee we lokale projecten uitbouwen en in de samenleving een verschil proberen te maken. Belangrijke projecten moeten we nu inkrimpen – waardoor zowel hun uitstraling als hun bereik zal worden gedecimeerd – en andere initiatieven zullen we noodgedwongen moeten schrappen. Hierdoor wordt de Vrijzinnige Morele Dienstverlening, zoals de wet het voorziet, in haar dienstbetoon aan de bevolking gehinderd en beperkt. Men mag hierbij niet vergeten dat de vrijzinnigheid, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Kerkfabrieken, niet kan rekenen op een belangrijke financiële ondersteuning vanwege de Steden en Gemeenten om hun tekorten aan te vullen.

Om deze maatregel te verdedigen schrok de deputatie er bovendien niet voor terug om een inhoudelijk oordeel te vellen over sommige projecten en structurele aspecten van de vrijzinnige werking. Er komt dus nog een tweede woord in ons op: onwettig. Zo’n oordeel komt namelijk enkel toe aan de Centrale Vrijzinnige Raad. Andere inmenging is wettelijk niet geoorloofd. De provincieraad of een gedeputeerde heeft zich niet uit te spreken over het inhoudelijke aspect van de vrijzinnige gedachte, om via een inhoudelijk oordeel een financiële maatregel te vorderen die de hele vrijzinnige gemeenschap treft.

Het is dus niet overdreven te stellen dat wat voor de vrijzinnig humanisten de kern en essentie van hun levensbeschouwing vormt – het kritisch denken, het respect voor de medemens en de mensenrechten, vrijheid van godsdienst en meningsuiting, vrijheid van pers en van onderzoek – nu onbeschaamd wordt aangetast door een duidelijke politiek-ideologische stellingname, onder het mom van een besparingsmaatregel. Want het resultaat van deze beslissing mag duidelijk zijn: de vrijzinnigheid kortwieken en vleugellam maken.

Een derde woord dat ons voor de geest staat in deze zaak, is discriminatie. Uit goede bron hebben we namelijk moeten vernemen dat de besparing van 30% op onze werkingsmiddelen anders wordt geïnterpreteerd als het over de erediensten gaat. In een interne nota van de deputatie werd bepaald dat de confessionele gemeenschap voor 30% eigen inkomsten moet bewijzen, wat natuurlijk een heel andere benadering is en geen mes zet in de werkingsmiddelen. Deze eigen inkomsten worden al lang door onze organisaties gerealiseerd door de budgetten als een goede huisvader te beheren. Bovendien vernamen we in een schrijven van minister Bourgeois dat twee erediensten een afwijking van deze maatregel hebben gekregen. Pure discriminatie dus!

Deze maatregel is niet alleen onwettig, maar schendt hierdoor het principe van de scheiding tussen Kerk en Staat en tast de gelijkberechtiging van de levensbeschouwingen in ernstige mate aan. Wij verwijzen hierbij graag naar de grondwet die de vrijheid van erediensten regelt én naar de Wet van 21 juni 2002 over de erkenning van de Vrijzinnigheid en de verplichting van de provincie inzake subsidiëring van de Instelling voor Morele Dienstverlening.

Aangezien wij het besluit van de provincieraad van 3 september 2014 beschouwen als een aantasting van de vrijheid van levensbeschouwing en een aanval op de vrijzinnige gemeenschap, werd er een procedure voor de Raad van State ingezet om deze maatregel nietig te verklaren.

Met vrijzinnige groeten,

Sven Jacobs, voorzitter VC Geuzenhuis; Fred Braeckman, hoofdredacteur De Geus; prof. dr. Koen Goethals, algemeen voorzitter Vermeylenfonds; Ellen Buntinx, directeur Willemsfonds; prof. dr. Johan Braeckman, voorzitter Fonds Lucien De Coninck; Christine Moulaert, voorzitter Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging Oost-Vlaanderen; Charlotte Delaruelle, voorzitter Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging Gent; Raoul Van Mol, voorzitter Gentse Grijze Geuzen; Nico Burssens, voorzitter Comité Feest Vrijzinnige Jeugd Gent; Ginette Cretel, voorzitter Feniks; Geert Boxstael, voorzitter Uitstraling Permanente Vorming afdeling Gent; Wim Taels, directeur De Cocon vzw.

1 reactie

Opgeslagen onder Activiteit, Cultuur, Ethiek, Humanisme, Vrijzinnigheid